In de loop van 2026 verschijnt het boek De Ontzamelaar – de Collectie Vlasblom en de gekte van de kunstmarkt van kunsthistoricus en journalist IJsbrand van Veelen. Op Vers Twee een voorpublicatie in drie delen van het eerste hoofdstuk. Deel 2: de geschiedenis van het verzamelen.
door IJsbrand van Veelen
De Romeinen gebruikten het werkwoord colligere voor de neiging van de mens om dingen bijeen te brengen – onze begrippen collectie en collectioneur stammen ervan af. Maar de gewoonte om te verzamelen bestaat al veel langer dan de Romeinen en begon zo’n tienduizend jaar geleden, curieus genoeg ná de jager-verzamelaars. Ja, die verzamelden natuurlijk ook – ze worden niet voor niets zo genoemd – maar bij hen ging het om voedsel.
Toen tienduizend jaar geleden in het Nabije Oosten de landbouw ontstond en mensen zich gingen vestigen op vaste plekken waar ze hun eigen voedsel konden verbouwen, werd de samenleving fijnmaziger en hiërarchischer, met leiders, kenners, geestelijken, tussenfiguren en ondergeschikten. En net als nu wilden de machtigsten en rijksten zich onderscheiden van de rest door zich te omringen met bijzondere spullen.
Dus in plaats van te verzamelen om voedsel zeker te stellen, zoals de jager-verzamelaars, verzamelden ze nu om hun geestelijke honger te stillen én om hun uitzonderlijke intellectuele of financiële status te etaleren. Deze nieuwe vorm van verzamelen gaat terug tot de oude beschavingen van Egypte, Babylonië, China en India, waar synchroon met de geboorte van de literatuur en de wetenschappen, bijzondere voorwerpen werden verzameld en geëtaleerd in tombes, tempels en andere heiligdommen.
Dergelijke collecties waren bedoeld om de glorie van een heerser kracht bij te zetten of om de suprematie van een religie te onderstrepen. Het verzamelen van kunst en bijzondere voorwerpen werd een middel om verhalen te vertellen en fungeerde als een symbool voor luxe, rijkdom en macht.
Later, in de vierde tot de eerste eeuw voor Christus waarin de Griekse cultuur zich verspreidt over de wereld – de zogenaamde Hellenistische periode – ontstaat in het Westen een nieuw soort verzamelaar, wanneer niet alleen heersers maar ook burgers zich beginnen te omringen met kunst en bijzondere voorwerpen. Ze waarderen kunstwerken uit eerdere perioden niet langer uitsluitend om hun religieuze of maatschappelijke betekenis, maar omwille van zichzelf, om hun artistieke en esthetische kwaliteiten.

Foto: Zde
De belegering van Syracuse
Een bepalend moment voor deze ontwikkeling is de belegering van Syracuse tussen 214 en 212 v. Chr. door de Romeinen tijdens de Tweede Punische oorlog. De Romeinen winnen die slag en, verzot als ze zijn op Griekse kunst, plunderen ze de Siciliaanse stad, waarna ze hun oorlogsbuit naar Rome vervoeren.
Daarmee begint een Griekse gekte in de Eeuwige Stad. Wat ze zien op pleinen en in straten willen welvarende Romeinen ook zelf bezitten en ze beginnen met het verzamelen van originele kunstwerken voor hun woningen, tuinen en patio’s, of ze bestellen kopieën van fameuze Griekse beelden en vazen.
De verzamelwoede van de maatschappelijke bovenlaag geeft zo een enorme impuls aan de kunstmarkt, en er ontstaat een levendige industrie en handel in originele en gekopieerde Griekse beeldhouwkunst. Zo wordt Rome in de eerste eeuw voor Christus een centrum van Hellenistische kunstproductie en vanwege de werkgelegenheid komen tal van Griekse kunstenaars naar de stad. Dit is overigens ook het moment waarop – wellicht voor het eerst in de geschiedenis – niet alleen kopieën hun intrede doen in de wereld van mooie spullen, maar ook doelbewuste vervalsingen.
Zoals elk nadeel zijn voordeel heeft, zit er aan de uitbarsting van de Vesuvius in het jaar 79 ook een positieve kant: de ramp heeft een uitstekend beeld opgeleverd van de Romeinse verzamelwoede. Door de uitbarsting werd Herculaneum bij Napels bedolven onder een gloeiendhete stroom van lava, steen en as van tientallen meters dik, waardoor het havenstadje uitstekend werd gepreserveerd.
Onder die laag vulkanisch puin werd midden achttiende eeuw een enorme villa ontdekt die mogelijk aan de schoonvader van Julius Caesar toebehoorde: de zogenoemde Villa dei Papiri, vernoemd naar een enorme bibliotheek met 1800 Griekse papyrusrollen die er werd aangetroffen. De welgestelde bewoners hielden kennelijk niet alleen van lezen, maar omringden zich ook graag met beeldende kunst: in de loop der tijd werden er 65 bronzen en 28 marmeren beelden van hoge kwaliteit opgegraven.
Vermoedelijk is dat slechts een deel van de oorspronkelijk collectie, want volgens schattingen is tot nu toe slechts een derde deel van de villa blootgelegd. Ook opgravingen in Pompeï laten zien wat de Romeinen zoal verzamelden: in het zogenoemde Huis van Menander en in de nabijgelegen villa’s van Boscoreale zijn grote verzamelingen met zilveren voorwerpen gevonden.
Van Wunderkammer tot museum
Romeinen die het breed konden laten hangen etaleerden hun rijkdom graag, maar na de val van het Romeinse Rijk lijkt de wereld op slot te gaan en vindt ostentatief uitstallen eerder binnen dan buiten plaats. Gedurende lange tijd zijn vooral kerken en kloosters de belangrijkste verzamelplaatsen voor culturele objecten.
Dat verandert in de vijftiende en zestiende eeuw tijdens de Renaissance wanneer de kracht van de klassieke wereld wordt herontdekt en de belangstelling voor kunst en cultuur van de klassieken in verhevigde mate terugkeert. Die wedergeboorte zorgt voor een enorme bloei van de kunsten en de wetenschap, en een nieuwe groep van verzamelaars ziet het licht: succesvolle kooplieden en bestuurders die bereid zijn geld neer te tellen voor de nieuwste artistieke ontwikkelingen.
Het is ook het tijdperk van de particuliere mecenas: kunstenaars krijgen opdrachten en worden betaald voor de productie van allerhande kunstvoorwerpen: schilderijen, fresco’s, sculpturen, meubels en gebouwen. Rijke families, zoals de’ Medici in Florence, Montefeltro in Urbino, Gonzaga in Mantua, Este in Ferrara en de Habsburgers in Oostenrijk, vullen hun familiepaleizen niet alleen met antieke kunstvoorwerpen, maar ook met eigentijdse werken, in opdracht gemaakt door begenadigde tijdgenoten die de wereld verrijken met nieuwe vormen en inzichten.
Architectuur, schilder- en beeldhouwkunst stijgen tot verbluffende hoogtes en de kunstenaar als individu ontstaat: genieën als Jan van Eyck, Leonardo da Vinci, Michelangelo en anderen worden geprezen om hun individuele finesse die de ambachtelijke kwaliteiten van hun collega’s overstijgt.
Van de klassieken tot NFT’s
Ondertussen verandert de blik op de werkelijkheid ook op een andere manier: ontdekkingsreizigers zwerven verder en verder, brengen steeds exotischer plekken in kaart en keren terug naar het westen met planten, dieren en objecten die daar tot dan toe onbekend zijn. Mede daardoor zien de collecties van verzamelaars er in die periode anders uit dan die van de meeste hedendaagse verzamelaars.
Tegenwoordig richten de meeste kunstverzamelaars zich op een bepaalde stroming of periode uit de kunstgeschiedenis, zoals negentiende eeuws impressionisme, Haagse School, CoBra, Minimal Art, Realisme of Conceptuele kunst. Vaak kiezen ze ook voor een specifieke uitdrukkingsvorm, zoals schilder- of beeldhouwkunst, grafiek, fotografie, textiel of keramiek. Sinds kort is daar een nieuw soort verzamelaar bijgekomen, de collectioneur van ‘ontastbare’ kunstwerken, de zogenoemde NFT’s, non fungible tokens. Dit zijn niet-vervangbare digitale ‘eigendomsbewijzen’ die zijn gekoppeld aan een digitaal object zoals een digitaal kunstwerk of filmpje, via een systeem dat enigszins vergelijkbaar is met dat van de bitcoin.
Voor verzamelaars in de zestiende eeuw was het daarentegen eerder gebruikelijk om zo’n beetje alles te vergaren waar de hand op gelegd kon worden, als het maar mooi, uitzonderlijk, verrassend, vaardig gemaakt, wetenschappelijk interessant of exotisch was. Grote verzamelaars rangschikten al die aanwinsten in een rariteitenkabinet. Zo’n kabinet bestond uit een of meerdere speciale ruimtes waarin de muren van vloer tot plafond waren volgehangen met schilderijen en prenten en waarin overal kasten en vitrines stonden, uitpuilend met objecten die de encyclopedische, humanistische kennis van de eigenaar moest weerspiegelen. Zo’n collectie werd doorgaans in drie sectoren ingedeeld. Wonderlijke producten van de natuur, zoals bijzondere schelpen, opgezette exotische dieren, enorme botten of zeldzame eieren vielen onder de naturalia; door de mens gemaakte objecten werden ingedeeld als arteficialia of artefacta, en de afdeling scientifica bevatte bevatte wetenschappelijke objecten die de mens gebruikte om de natuur naar zijn hand te zetten, zoals klokken, automaten en sterrenkundige, meetkundige of andere wetenschappelijke instrumenten. In het Duits werd zo’n rariteitenkabinet een Wunderkammer genoemd; Italianen spraken van een stanzino, museo of galleria.Dergelijkekabinetten met de wonderen van de wereld zijn de voorlopers van musea zoals we die nu kennen.

In Uffizi, Florence
Het pact van de familie de’ Medici
De eerste stap in dat proces is dat verschillende koningshuizen in de loop van de achttiende eeuw hun paleizen openstellen voor het publiek zodat het zich kan vergapen aan de collecties. Vervolgens besluiten koning, keizer en admiraal hun collecties aan de staat te schenken, waarbij naturalia, artefacta en scientifica vaak van elkaar worden gescheiden, en zo ontstaan de eerste gespecialiseerde, grootschalige musea.
Een mooi voorbeeld van zo’n schenking is ‘Il Patto di Famiglia’, het pact van de familie de’ Medici. In deze overeenkomst laat Anna Maria Luisa de’ Medici (1667 – 1743), de laatste telg van het geslacht de’ Medici, zes jaar voor haar dood vastleggen dat de kunstcollectie van haar familie aan de Florentijnse staat toekomt “per ornamento dello Stato, per utilità del pubblico e per attirare la curiosità dei Forestieri…,” oftewel: ter verrijking van de staat, ten behoeve van het publiek en ter opwekking van interesse bij buitenlanders. Wel stelt ze als voorwaarde dat niets van de kunstvoorwerpen ooit nog Florence zal verlaten. Zodoende vormt de enorme Medici-collectie de kern van de Galleria degli Uffizi, het Palazzo Pitti en de Biblioteca Laurenziana in Florence, waar nu dagelijks mensen in de rij staan om een glimp op te vangen van Botticelli’s Primavera en andere meesterwerken.
Tezelfdertijd beginnen ook andere vorsten en aristocraten hun collecties te schenken en zo ontstaan in Europa de Capitolijnse Musea (Rome, 1734), het Louvre (Parijs, 1793), de National Gallery (Londen, 1824), de Alte Pinakothek (München 1836) en het Rijksmuseum (Amsterdam, 1885).
Deze musea werden gezien als plekken waar de idealen van de Verlichting – geloof in de rede en vooruitgang door wetenschap, onderwijs en politiek – ter lering en vermaak aan het publiek konden worden getoond. Maar in de negentiende eeuw worden musea ook plekken waar nationalisme en de ‘zegeningen’ van het kolonialisme breed worden uitgemeten. Ze groeien als kool en dat is niet alleen te danken aan eerlijk verworven privé-collecties en integere donaties; als verzamelplaatsen van roofkunst worden het ook plekken waar de duistere kant van het verzamelen een onderkomen vindt.
Roven als verzamelmethode
Hoe verwerpelijk het verschijnsel ook is, het roven van kunst is een vorm van verzamelen, want het gaat tenslotte om het doelgericht toe-eigenen en samenbrengen van bijzondere cultuurvoorwerpen, gebaseerd op specifieke keuzes. Roofkunst is een fenomeen dat zich voor het eerst duidelijk aandient bij de Romeinen, als Rome gaandeweg wordt gevuld met de buit die overwinnaars meebrengen uit geplunderde steden. De Egyptische obelisken en triomfbogen die nog altijd in Rome zijn te zien, getuigen van de obsessie die Romeinse keizers hadden met het verzamelen en naar huis brengen van geroofde kunst en bijzondere voorwerpen.
Voor zover bekend is de Griekse historicus Polybios (circa 200 – 117 v. Chr) de eerste die heeft geschreven over het roven van kunst op grote schaal. In zijn Historiën schrijft hij dat de Romeinen, als zij in 212 voor Christus de Siciliaanse stad Syracuse hebben veroverd, alle aanwezige kunstwerken roven en naar Rome verschepen. Het roven van kunst vindt hij maar niks, sterker nog: hij vindt het een blunder van de Romeinen. Kunstdiefstal zorgt bij de slachtoffers namelijk niet alleen voor woede en wrok, maar roept ook sympathie voor hen op, meent hij. Hij stelt dat veroveraars “steden niet moeten uitkleden met het idee dat het ongeluk van een ander een sieraad is voor het eigen land.”

Louvre, Parijs
Veronese en Da Vinci
Zijn pleidooi lijkt weinig effect te hebben gehad, want in navolging van de Romeinse keizers geven ook latere heersers opdracht tot plundering en roof van de mooiste en meest bijzondere werken om er mooie sier mee te kunnen maken. Zo nemen soldaten van het Franse Revolutionaire Leger van Napoleon in 1797 het enorme doek Bruiloft te Kana van Paolo Veronese uit 1563 mee als oorlogsbuit uit Venetië. Van de zestiende tot de achttiende eeuw had het daar in de eetzaal van het San Giorgio-klooster gehangen. Het loodzware doek met een oppervlak van ruim zevenenzestig vierkante meter belandt uiteindelijk in het Musée du Louvre en daar is het nog altijd het grootste schilderij van de collectie. Ironisch genoeg lopen veel bezoekers eraan voorbij, want Bruiloft te Kana hangt in dezelfde zaal als de Mona Lisa van Leonardo da Vinci en dat is nu eenmaal de publieksmagneet.
Niet alleen Napoleon, maar ook andere heersers plunderen het kunstbezit van de landen die ze bezetten. In de periode van het kolonialisme roven westerse mogendheden kunstschatten uit landen die ze hebben onderworpen. Zodoende herbergen allerlei musea in landen met een koloniaal verleden tot op de dag van vandaag kunstwerken die er niet thuishoren. Dat heeft geleid tot langlopende conflicten tussen voormalige koloniale grootmachten en gekoloniseerden die hun geroofde kunstvoorwerpen terug willen hebben. Enkele jaren geleden organiseerde een groep activisten in het Londense British Museum zelfs ‘een gestolen goederen-tour’, die was bedoeld als oproep om tijdens het kolonialisme geroofde objecten te repatriëren.
Strijd om teruggave betreft niet alleen kunst die tijdens het kolonialisme werd geroofd. Ook na de koloniale tijd gaat het roven van kunst uit bezette landen door. Zo worden er door Joodse nabestaanden nog altijd rechtszaken gevoerd om teruggave van kunst die in de Tweede Wereldoorlog werd geroofd, toen zowel nazi-Duitsland als de Sovjet-Unie op nog niet eerder geziene schaal plunderden. In nazi-Duitsland bestond er zelfs een speciale eenheid voor, de ERR, de Einsatzstab van Reichsleiter Rosenberg, die werd belast met het in beslag nemen van kunstwerken uit particuliere joodse collecties. De ERR kreeg als enige organisatie een volmacht van Hitler om kunst te roven uit de bezette gebieden en in totaal werden tussen 1940 en 1945 niet minder dan anderhalf miljoen spoorwegwagons vol roofkunst naar Duitsland getransporteerd.
Michelangelo, Rembrandt, Vermeer
Hitler droomde van de vestiging van een Führermuseum in de Oostenrijkse stad Linz, dat het culturele centrum van Europa en de rest van de wereld moest worden. Zijn kunstmuseum zou het Louvre, de Hermitage en het Metropolitan Museum of Art in New York moeten overtreffen met een collectie die buitensporig snel groeide, dankzij de ERR. Twee keer per jaar, op kerstavond en op zijn verjaardag, kreeg Hitler albums voorgeschoteld met daarin foto’s van de kunstwerken die in de tussentijd voor de collectie waren ‘verworven’. Daaronder meesterwerken van de grootste kunstenaars uit de geschiedenis: Michelangelo, Leonardo da Vinci, Rembrandt, Vermeer, Van Eyck en veel, heel veel meer. Ondertussen pikte Rijksmaarschalk en kunstliefhebber Hermann Göring ook zijn graantje mee. Voor zijn privé-verzameling roofde hij op zijn beurt van de door ERR geroofde werken en daarnaast beschikte hij ook nog over een eigen organisatie, het Devisenschutzkommando, die in de bezette gebieden kunst in beslag moest nemen. Daarnaast kocht hij kunst aan tegen afgedwongen bodemprijzen, zoals gebeurde met de befaamde collectie van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker.
Verder naar het oosten begon Joseph Stalin enkele jaren later ook grootse plannen te ontwikkelen voor een nieuw museum. Dat moest worden gevuld met beroemde kunstwerken die uit Duitsland waren geroofd onder het mom van compensatie voor het door nazi-Duitsland aangerichte leed. Stalin liet aan het eind van de oorlog door speciale Trofeeënbrigades systematisch zo’n 2,5 miljoen kunstwerken vanuit Duitsland naar Rusland vervoeren met de bedoeling in Moskou een Wereldmuseum op te richten.
Kunstlievende ondernemers
Zoals in de achttiende en negentiende eeuw in Europa omvangrijke privé-verzamelingen aan de basis stonden van grote musea, gebeurde dat later ook in Amerika. Daar bouwden schatrijke industriëlen en ondernemers in de negentiende eeuw enorme privécollecties op.
De Amerikanen: J.P. Morgan
Van het belangrijkste drietal was bankier J.P. Morgan (1837 – 1913) eigenlijk nog een soort van Wunderkammer-verzamelaar, aangezien hij niet alleen kunstwerken maar ook boeken en andere objecten verzamelde. Vanwege zijn fortuin hoefde hij ook niet ál te kieskeurig te zijn; bij zijn dood bezat hij rond de 17.000 kunstwerken met een waarde van zo’n 65 miljoen dollar, wat naar de huidige maatstaven neerkomt op ruim 1 á 1,5 miljard dollar. Zijn collectie edelstenen was een van de belangrijkste in Amerika. Daarnaast kocht hij complete Europese kunstcollecties, bezat hij drie Gutenbergbijbels, middeleeuwse getijdenboeken, prenten en tekeningen van Da Vinci, Michelangelo, Raphael, Rembrandt, Dürer en Picasso en schilderijen van onder meer Hans Memling, Perugino en Vermeer. Morgan schonk zo’n 7000 kunstwerken aan het Metropolitan Museum of Art in New York en een ander deel van zijn collectie ging naar het American Museum of Natural History, eveneens in New York. De rest werd ondergebracht in zijn eigen Morgan Library & Museum in New York.
De Amerikanen: Henri Clay Frick
Een tijdgenoot van Morgan, de Amerikaanse industrieel Henri Clay Frick (1849 – 1919), verzamelde ook op grote schaal, maar zijn focus was gerichter. In het kleine, maar zeer fraaie museum The Frick Collection in New York, waar zijn collectie is ondergebracht en waarvan de verzameling sinds de opening in 1935 in omvang is verdubbeld, is te zien wat een verbluffend oog Henri Frick had voor klassieke topwerken. De collectie bevat werken van onder meer Piero della Francesca, Bellini, Titiaan, Bronzino, Holbein, Rembrandt (twee stuks) en maar liefst drie Vermeers. The Frick Collection is overigens niet alleen een kunstverzameling, maar herbergt sinds 2007 ook het Center for the History of Collecting, dat de studie ondersteunt naar publieke en private kunstcollecties in Europa en Amerika, vanaf de Renaissance tot heden.
De Amerikanen: Andrew Mellon
Ook de derde van het trio grote Amerikaanse kunstverzamelaars, bankier en industrieel Andrew Mellon (1885 – 1937), had een feilloos oog voor klassieke topkunst. Zijn collectie bevatte onder andere meerdere Rembrandts en Vermeers en daarnaast werken van Botticelli, Titiaan, Rogier van der Weyden en Jan van Eyck, én de zogenoemde Alba Madonna van Raphael. Dat schilderij en twintig andere topwerken had hij opmerkelijk genoeg gekocht van het communistische regime in Moskou, dat zat te springen om buitenlandse valuta voor de financiering van Stalins eerste economische vijfjarenplan waarmee de zware industrie op poten moest worden gezet. Eerder al had Stalin opdracht gegeven tot de verkoop van grote hoeveelheden sieraden, meubels en iconen die hij had ingepikt van Russische rijken en de de kerk, maar de opbrengsten daarvan waren bij lange na niet toereikend. Daarom droeg hij de Hermitage op om topwerken, waarvan sommige zich al in de collectie bevonden sinds de oprichting door Catharina de Grote in 1764, beschikbaar te stellen voor verkoop. Uiteindelijk zouden er begin jaren dertig zo’n 250 meesterwerken worden verkocht.

Foto: I. Sailko
Mellon sloeg toe in 1931 en kocht privé eenentwintig schilderijen voor 66 miljoen dollar: nu zou dat neerkomen op zo’n 1,4 miljard dollar. Die aankopen gebeurden in alle stilte en via betalingen door tussenpersonen, want Mellon was al aan zijn tiende jaar bezig als Amerikaans minister van Financiën en in die hoedanigheid kon hij moeilijk in het openbaar de communisten aan geld helpen. Zijn aankoop bevatte onder meer vijf Rembrandts, De Annunciatie van Jan Van Eyck, Botticelli’s Aanbidding van de herders, en dus de Alba Madonna van Raphael. Voor de Raphael betaalde hij bijna 1,2 miljoen dollar, destijds het hoogste bedrag dat ooit voor een schilderij werd neergeteld.
Later schonk Mellon honderdtwintig topwerken, waaronder 23 Rembrandts, zes Vermeers en de eenentwintig werken uit de Hermitage, aan de Amerikaanse staat voor de oprichting van de National Gallery of Art in Washington. Als initiatiefnemer van dit museum naar voorbeeld van The National Gallery in Londen, schonk hij ook nog eens 15 miljoen dollar voor de bouw. Het museum opende in 1941, vier jaar na zijn dood. Later zou zijn zoon Paul, eveneens een verwoed verzamelaar van klassieke kunst, ook nog eens ruim 1000 werken doneren.
Vorig deel, deel 1: ‘Ja, het is een ziekte’
Volgend deel, deel 3: De avonturier