Woensdag, op de geboortedag van Konstantínos Kavafis (1863-1933), worden twee boeken gepresenteerd met werk van deze grote Griekse dichter en schrijver. Een deel poëzie, een deel proza. De nieuwe vertalingen zijn van de hand van Hero Hokwerda, doctor in Nieuwgrieks taal- en letterkunde en autoriteit op het gebied van Kavafis. Op verzoek van VersTwee koos hij drie gedichten uit en voorzag die van commentaar en analyse. Drie dagen achtereen een voorpublicatie uit K.P. Kavafis, Als straks de schimmen komen. Poëzie.


door Hero Hokwerda



Als plotseling, om middernacht, je klanken hoort
van een onzichtbaar langstrekkende stoet
met heerlijke muziek en met gezang –
ga de fortuin die van je wijkt, je levenswerk
dat is mislukt, de plannen voor je leven
waarvan niet één geen dwaling bleek, niet nutteloos bewenen.
Groet dan, als voorbereid sinds lang en als manmoedig,
ten afscheid haar, de stad Alexandrië die daar heengaat.
Maak bovenal jezelf niets wijs, zeg niet: het zal wel
een droom geweest zijn, of: mijn oren hebben me bedrogen –
verlaag je niet tot zulk een vruchteloze hoop.
Stap dan, als voorbereid sinds lang en als manmoedig,
zoals het jou betaamt wie deze stad vergund was,
met vaste schreden nader tot het vensterraam
en luister – met ontroering wel, maar niet
met het gesoebat en gejammer van lafhartigen –
in nog een laatst genieten naar de klanken,
het heerlijk instrumentenspel van de mysteriestoet,
en groet haar dan, de stad Alexandrië die je kwijtraakt.

[1911]

[TOELICHTING, achter in de uitgave]

De titel is een citaat uit Ploutarchos’ Leven van Antonius (ik gebruik de vertaling van G.J. de Vries), waar ook de eerste en laatste drie regels gebruik van maken: ‘In die nacht, wordt verteld, ongeveer te middernacht, terwijl de stad stil was en in gedrukte stemming, omdat men met angst de toekomst verwachtte, hoorde men plotseling welluidende klanken van allerlei instrumenten en het geroep van een menigte met kreten van bacchanten en het geluid van satyrdansen, alsof een processie met veel rumoer de stad uittrok; de stoet leek dwars door de stad naar de buitenpoort te trekken, die tegenover het vijandelijke kamp was; daar was het geluid op zijn sterkst en verdween toen naar buiten. De mensen die het teken probeerden uit te leggen, meenden dat Antonius verlaten werd door de god, die steeds zijn voorbeeld was geweest.’

De ‘(mysterie-)stoet’ in het begin en aan het slot is dus een ‘processie’ van volgelingen van Dionysos (zie ook ‘De stoet van Dionysos’), de god van de levenslust, de wijn en de extase aan wie Antonius toegewijd was.

Het gedicht is gericht aan een jij – van de dichter ‘aan zichzelve’ – die wordt voorgesteld als verkerend in de situatie van Antonius in zijn laatste levensdagen. In 31 vC bij Aktion (Actium) was Antonius’ nederlaag in de machtsstrijd met Octavianus voltrokken en het jaar erna werd hij in Alexandrië belegerd door zijn tegenstander. Hij had niet alleen zijn kansen op de oppermacht in het Romeinse rijk als geheel verspeeld, maar ook die in het Oosten, samen met Kleopatra; zijn dood zou spoedig volgen.

Antonius moet een goed en dapper militair geweest zijn en is zeker ook succesrijk geweest, maar door zijn losbandige levenswijze en onbeheerste karakter was hij niet geschikt als politiek leider, en niet opgewassen tegen de berekenende Octavianus, evenmin trouwens als tegen de krachtige Kleopatra; zo althans is hij in de geschiedenis te boek komen te staan.

De regels 4-6 van het gedicht, over de fortuin, het levenswerk en de plannen, zijn een verwijzing naar Antonius’ jarenlange, maar uiteindelijk mislukte pogingen om de opperheerschappij in Rome in handen te krijgen; in die zin kunnen we het gedicht lezen als een morele les over het onder ogen zien van de eigen, uiteindelijke mislukking, de val op het hoogtepunt van roem en aanzien, de onmogelijkheid je te onttrekken aan de wil van de goden, de voorbeschikking van het noodlot. Op die kant van het gedicht legt Kavafis in zijn commentaar in 1929 aan Lechonitis alle nadruk: ‘Het refereert aan de tijd dat de verslagen Antonius in Alexandrië belegerd werd door Octavianus (zie Ploutarchos, Leven van Antonius) en aan het ogenblik dat ook de beschermgod Dionysos zelf hem verlaat (onzichtbare stoet). Het gedicht leert ons dat we rampspoed met waardigheid onder ogen moeten zien.’

De god van wijn en extase door wie Antonius verlaten wordt en het Alexandrië dat hij kwijtraakt – bij Kavafis al evenzeer een stad van hedonisme – staan ook voor het leven van genotzucht en zinnelijkheid dat Antonius minstens evenzeer had nagejaagd en dat eveneens teloorgaat. Over dit aspect zwijgt Kavafis in zijn commentaar, terwijl dat voor hem juist een wezenlijk en positief te waarderen onderdeel vormde van zijn visie op het hellenisme en de stad. Wel kunnen we ons afvragen of er in dit gedicht over het waardig dragen van nederlaag, mislukking, ondergang en dood, toch ook niet iets doorklinkt van een verzoening (bij Kavafis) met het einde – verbeeld in de persoon van Antonius – van de politieke macht van zijn helleens-oosterse wereld, die nu blijvend aan Rome onderworpen raakte. Hoe dan ook is dit gedicht uit 1911 een van de eerste waarin Kavafis de lof bezingt van ‘zijn’ hellenistisch Alexandrië.

Vier jaar eerder, in 1907, had Kavafis al een tamelijk verschillend, meer historisch gedicht over Antonius geschreven met als titel ‘Het einde van Antonius’, deels geïnspireerd op Shakespeares Antony and Cleopatra.


Dit is een voorpublicatie uit K.P. Kavafis, Als straks de schimmen komen. Poëzie, samengesteld, vertaald, ingeleid en van toelichtingen voorzien door Hero Hokwerda, april 2026 te verschijnen bij de Historische Uitgeverij (tegelijk met K.P. Kavafis, Verborgen dichterschap. Proza, idem).