Hero Hokwerda
‘
Een nieuwe Kavafisbiografie
Wie in Nederland een Nieuwgriekse dichter moet noemen, komt algauw met Kavafis aandragen; als dan ook nog naar een gedicht van hem gevraagd wordt, zullen ‘Ithaka’ en ‘In verwachting van de barbaren’ wel om de voorrang strijden. Verder weet men over de dichter niet veel, behalve wellicht dat hij homoseksueel was. Er is een nieuwe biografie.
door Hero Hokwerda
Een van de begrippen die we in verband met K.P. Kavafis (1863-1933) dan ook vaak tegenkomen is ‘verborgenheid’, in diverse varianten. Bij Kavafis zelf meteen al: ‘Verborgenheden’ is de titel van een van zijn wel voltooide maar (door hemzelf) niet erkende gedichten, en die zijn als groep ook al ‘Verborgen gedichten’ genoemd door hun eerste editeur, G.P. Savvidis. Dat gedicht gaat duidelijk over de homoseksuele aard van de dichter, die hij pas later, in een ideale samenleving, onbelemmerd tot uitdrukking zou kunnen brengen, maar bij Kavafis gaat de verborgenheid dieper en is zij ruimer.
Zo heeft mijn Nederlandse bloemlezing uit het proza van Kavafis (ter perse) als titel Verborgen dichterschap; onder die noemer zouden ook al zijn oudere niet-erkende gedichten kunnen vallen. Pas in 1911, wanneer hij tegen de vijftig loopt, heeft Kavafis als dichter zijn eigen stem gevonden, nadat hij al die jaren tot dan toe hardnekkig – als een monnik bijna – gewerkt had aan het dichterschap dat hij, naar hij voelde, in zich had, maar waarvoor hij een lange weg met allerlei afslagen heeft moeten gaan om het werkelijk te bereiken en ermee naar buiten te treden. Zo heb ik, in de ruimere zin van genoemde verborgenheid, de omzichtigheid waarmee Kavafis zich uitte ook weleens beschreven onder de frivole titel ‘Kavafis speelt verstoppertje’.
Ook de zojuist verschenen nieuwe biografie van de dichter verwijst in titel en ondertitel naar verborgenheid bij Kavafis: Alexandrian Sphinx. The Hidden Life of Constantine Cavafy. Daar moet meteen bij gezegd worden dat ook deze biografie het begrip hidden life veel ruimer opvat dan de sensatiebeluste bijklank die de ondertitel kan hebben.

Eerder zijn er wel een paar biografische aanzetten geweest, maar dit is pas de tweede afgeronde biografie van Kavafis, na Cavafy, a critical biography by Robert Liddell uit 1974. Het critical in die titel moet slaan op Liddells kritische omgang met alle roddel die over Kavafis rondging en die de grootheid van zijn poëzie aan het gezicht dreigde te onttrekken, en tegelijk op zijn kritische omgang met het sterk aan elkaar tegengestelde werk van Malanos en Tsirkas. Deze beide critici hadden de eerste decennia na Kavafis’ dood het spreken over de dichter gedomineerd: de arts Timos Malanos met zijn ‘medische’, vooral (pseudo-)freudiaanse benadering, die alles van de dichter terugvoerde op zijn ‘perversie’, en de schrijver Stratís Tsirkas, die, bijna van de weeromstuit, Kavafis’ gedichten – althans de historische – op marxistisch angehauchte wijze wilde interpreteren als dichterlijke weergaven van specifieke historische en maatschappelijke gebeurtenissen in het Alexandrië van Kavafis’ dagen, toen Egypte een Brits protectoraat was. Veel van wat beide critici over Kavafis en zijn werk geschreven hebben is intussen achterhaald; helemaal om hen heen zullen we wel nooit meer kunnen, maar Liddell besteedt wel erg veel aandacht aan de twee en helt daarbij ook nog eens sterk over naar Malanos, zij het zonder diens ‘perverse’ terminologie.
Hoog tijd dus, een halve eeuw na Liddell, voor een nieuwe biografie van Kavafis, en die hebben we nu van de Engelse neograecus Peter Jeffreys en zijn Grieks-Amerikaanse vakgenoot Gregory Jusdanis, die beiden al het nodige over Kavafis op hun naam hebben staan. In mijn eigen geval is het met een bijzondere belangstelling dat ik de nieuwe biografie gelezen heb: een jaar of zeven, acht geleden ben ik, op voorstel van de Historische Uitgeverij in Groningen, begonnen aan een nieuwe vertaling (na die van Blanken uit 1977 en van Warren/Molegraaf uit 1984) van de 154 erkende gedichten van Kavafis, en tevens aan een keuze in vertaling uit Kavafis’ ‘proza’ (alles wat hij buiten zijn gedichten geschreven heeft, soms door hem gepubliceerd, maar vaker in archief gehouden en postuum verschenen).
In de afgelopen jaren heb ik veel van wat ik over Kavafis nog niet had gelezen ingehaald of herlezen, plus veel van wat er intussen nog allemaal verscheen, maar de hele bibliotheek die over de dichter volgeschreven wordt, valt onmogelijk bij te benen; alleen de bibliografie van en over Kavafis die in 2003 verscheen, telt al 1269 bladzijden. Desondanks wil ik beginnen met te zeggen dat Jeffreys en Jusdanis met deze nieuwe biografie van 534 bladzijden niet alleen tweeënhalf keer meer aan kwantiteit leveren dan Liddell, maar ook meer kwaliteit; het gaat hier om een echte aanwinst in de Kavafisliteratuur.
Opbouw
Na een chronologisch overzicht van de gebeurtenissen in het leven van Kavafis – in het boek met Constantine aangeduid voor de persoon tijdens zijn leven, terwijl de aanduiding Cavafy wordt gereserveerd voor de dichtersfiguur na zijn dood in 1933 – trachten Jeffreys en Jusdanis in vijf delen, na eerst nog een Preface, een strikt chronologische opbouw te vermijden door telkens een bepaald thema voorop te stellen: Kavafis’ familieachtergrond, de stad Alexandrië als wereld van de dichter, en Kavafis’ vriendenkring, dan een ‘Interlude’ over wat Kavafis allemaal las, en vervolgens zijn leven voor de poëzie en zijn inspanningen om zijn eigen faam te organiseren en voor de toekomst veilig te stellen.
Desalniettemin brengt deze thematische indeling als vanzelf een zekere chronologische ordening mee: begin twintigste eeuw had de dichter vrijwel geen familie meer, dus het eerste deel speelt zich hoe dan ook grotendeels in de voorafgaande decennia af, vanaf rond zijn geboorte in 1863. Dit overlapt enigszins met het tweede deel, over zijn stad Alexandrië, waarvan de vormende waarde dezelfde decennia bestrijkt; die werkt natuurlijk langer door, maar zijn houding was begin vorige eeuw grotendeels bepaald. Ook bij zijn vriendenkring gaat het in het geval van zijn jeugdvrienden weer vooral over de eerste decennia, terwijl zijn vriendenkring na 1911, toen hij intussen een gevestigd dichter begon te worden, van een heel andere orde was en in het vijfde deel terug zal komen.
Ook met Kavafis’ leven voor de poëzie beginnen we weer vanaf begin jaren 1880, met zijn eerste literaire pogingen, die tot 1911 grotendeels vallen onder zijn ‘verborgen dichterschap’: de zoektocht naar een eigen stem, die hij toen pas zou vinden. Zo schuiven we in de chronologie geleidelijk wel enigszins op, maar pas in het slothoofdstuk, over het cultiveren door de dichter van zijn faam, belanden we voornamelijk in zijn laatste jaren, van rond 1915 tot zijn dood in 1933. Een epiloog van de auteurs besluit de 418 bladzijden van de tekst van de biografie, waarna nog ruim honderd bladzijden volgen met lijsten van belangrijke personen in Kavafis’ leven en van aangehaalde werken en met het notenapparaat en een index.
Voor de thematische aanpak is veel te zeggen, maar niet te vermijden valt dan dat allerlei onderwerpen enkele malen terugkeren. Dat geldt wel het sterkst voor de ‘ballingschap’ van de familie Kavafis van 1882-1885 in Constantinopel-Istanboel, toen de Britten in Egypte de El Arabi-opstand neersloegen en Alexandrië bombardeerden: dat was niet alleen een ingrijpende gebeurtenis in de familiegeschiedenis en in Kavafis’ jeugdjaren (van zijn negentiende tot zijn tweeëntwintigste), maar tegelijk ook in zijn jeugdige vriendenkring met de correspondentie die daar toen op gang kwam (van Kavafis’ kant helaas niet bewaard) en in de ontwikkelingsgang van zijn dichtkunst (in die jaren begon hij te schrijven).
Kavafis’ homoseksualiteit
Hoe meer iemand in het verborgene leeft of zelfs verstoppertje speelt, des te moeilijker het wordt zijn leven met enige zekerheid te reconstrueren en te beschrijven. Dat klemt te meer in het geval van Kavafis’ homoseksualiteit. Dat die er was, is duidelijk, maar wat hij er in zijn leven feitelijk mee gedaan heeft vrijwel niet; daarover zijn voornamelijk roddel en van horen zeggens bekend, vaak ook nog van jaren na dato.
Het enige wat hij zelf voor 1911 over zijn seksualiteit heeft losgelaten is een aantal smartelijke briefjes van 1897 tot 1910 (in archief gehouden), die over masturbatiedrift lijken te gaan (verklaringen als bordeelbezoek of drankgebruik lijken minder goed bij de tekst van de briefjes te passen) en de ‘Aantekeningen over poëtica en moraal’ uit de jaren 1900-1910 (ook postuum uitgegeven); sommige daarvan bevatten duidelijke verwijzingen naar zijn seksuele geaardheid (zeker als je die intussen toch al weet).
Verder weten we uit zijn eigen schrijfsels alleen dat hij begin jaren 1880 in Constantinopel in de omgang met een neef zijn gelijkgeslachtelijke voorkeur ontdekt moet hebben, en van zijn tweede Atheense reis, in 1903, dat hij daar verliefd geraakt moet zijn op een Atheense letterkundige; maar over wat er zich feitelijk al of niet heeft afgespeeld, weten we niets.
Wat moet een biograaf dan? Liddell loste dit probleem op door wat er in Kavafis’ latere gedichten staat dan maar te hanteren als biografische feiten uit zijn jeugdjaren, iets wat vroeger misschien heel gewoon was, maar tegenwoordig toch niet meer kan. Bovendien zijn er, als we naar Kavafis’ zinnelijke gedichten kijken, maar een paar die in de ik-vorm over (homo-)seksuele ervaringen uit vroeger jaren spreken, en al helemaal niet over dergelijke ervaringen ná 1911. Volgens Savvidis was er na 1911 een eind gekomen aan Kavafis’ actieve seksuele leven, maar hoe dit ook zij, het merendeel van de latere zinnelijke gedichten in de ik-vorm spreekt over hérbelevingen van vroegere – al of niet in vervulling gegane –gevoelens, verlangens en ervaringen, vaak met een auto-erotische ondertoon, bijvoorbeeld ‘Herinner je lichaam’ en ook ‘Tot ze komen –’. Uit het laatste is ook de titel van mijn nieuwe vertaling genomen:
Eén kaars is wel genoeg.
Haar zachte schemerlicht
past er het beste bij,
zal sympathieker zijn,
als straks dan van de Liefde,
als straks de Schimmen komen.
Eén kaars is wel genoeg. De kamer moet vanavond
niet al te fel verlicht zijn.
In deze dromensfeer
vol suggestiviteit, en met dit schemerlicht –
in zulk een dromensfeer
ga ik visioenen vormen
tot straks dan van de Liefde,
tot straks de Schimmen komen.
Op de rol van de herbeleving in Kavafis’ zinnelijke gedichten legde reeds in de jaren dertig de oudere Griekse criticus Konstandinos Dimarás alle nadruk, uitdrukkelijk zonder er ook maar iets mee te willen zeggen over de vraag wat Kavafis vóór 1911 al dan niet had ‘gedaan’.
Overigens maakt de terughoudende aard van Kavafis’ zinnelijke gedichten en vooral zijn nadruk op herbeleving dat ze ook voor niet-homoseksuelen heel goed mee te beleven zijn: het mag dan duidelijk zijn dat de dichter zelf bij alle zinnelijke lust, lichamelijke schoonheid en herbeleving in zijn gedichten mannen in gedachten gehad moet hebben, dat zijn allemaal geen prerogatieven van homoseksuelen.
De nieuwe biografie is in het algemeen wel iets voorzichtiger dan Liddell; ze laat ook de biografische dilemma’s zien en probeert soms al te stellige uitspraken te vermijden. Dat leidt dan wel tot een overvloed aan formuleringen met perhaps, maybe, likely, reputedly, it seems, we can assume en andere slagen om de arm – it is quite possible that he could have (…) –, en het lukt ook niet altijd. Als bijvoorbeeld in de Preface staat ‘(…) the biographer has to imagine [Kavafis] (…) cruising in the dark alleys of his home city’, dan wordt het cruisen van Kavafis blijkbaar hoe dan ook als feit aangenomen, iets wat best zou kunnen kloppen maar waarover geen feitelijke gegevens bekend zijn.
En hoe komen de auteurs erbij te zeggen (ook nog in de Preface) dat Kavafis ‘never hid his sexual identity from his contemporaries’? Hij mag er dan na 1918 in zijn gedichten iets opener over zijn geworden, maar toen was hij intussen 55, en bovendien: hoe verhoudt hun opmerking zich tot het ‘hidden life’ van hun ondertitel?
En dan zeggen ze op blz. 157 ook nog eens dat Kavafis ‘dreaded scandal and avoided ostentatious displays of homosexuality’, en op blz. 184 dat hij in zijn jeugdjaren ‘highly secretive’ was over zijn ‘sexual exploits’, heel anders dan zijn vrienden, die nogal uitpakten over hun eigen (heteroseksuele) wapenfeiten en bij hem ook op zulke ontboezemingen aandrongen.
Wel vaker komen we in deze biografie uitspraken tegen die in tegenspraak met elkaar zijn: ‘één klap op de spijker en één op het hoefijzer’, zoals dat in het Grieks heet – misschien als uitvloeisel van het duale auteurschap? Verder mogen we aannemen dat Kavafis in 1882-85 in Constantinopel zijn homoseksuele identiteit ontdekt heeft, maar explore is, bij wat we weten, al wat te sterk uitgedrukt, en ook dan nog is het – voor die tijd – een hele stap naar ‘covert trysts’, ‘sexual assignations’ en ‘sexual experimentation’ (blz. 53), iets waar de auteurs zich met een ‘reputedly’ wel erg gemakkelijk van afmaken.
Zo geven de auteurs ons ook vrijwel ongeclausuleerd een mededeling van Malanos door (blz. 125) over het oppikken in 1930 door Kavafis van jonge mannen tegen betaling in een café. Malanos is hoe dan ook al geen erg betrouwbare bron over Kavafis’ leven, en zeker niet in een periode van openlijke vijandschap zoals in de laatste jaren van de dichter, en dan berust Malanos’ mededeling ook nog eens op een anonieme ‘informant’: wordt hier door de auteurs van de biografie niet al te gemakkelijk een gewoon roddelpraatje doorgebriefd?
Overigens is het opvallend – wat trouwens niet speciaal voor deze biografie geldt, maar voor vrijwel alles wat er over Kavafis’ homoseksualiteit geschreven wordt – dat over de áárd van zijn homoseksualiteit met geen woord wordt gerept, alsof alle homoseksuelen eender en gelijk zijn.
Uit het werk van Gert Hekma – vooral zijn Homoseksualiteit in Nederland van 1730 tot de moderne tijd (Amsterdam 2004) – kunnen we leren dat, waar het om de mannelijke en de vrouwelijke rol in de homoseksualiteit gaat, dit verschil zich in de tweede helft van de twintigste eeuw steeds minder uitgesproken begon te doen gelden, althans in Nederland en omstreken; dit lag vóór de Tweede Wereldoorlog heel anders, en dat gold zeker voor de mediterrane wereld in Kavafis’ dagen (en geldt vaak nog altijd).
‘Nichten’, die zich door andere mannen lieten nemen, waren de meest uitgesproken en beeldbepalende homoseksuelen en vormden een voorwerp van schande; de mannen die hen namen, konden weliswaar homoseksueel zijn, maar waren dat in veel gevallen níet.
Bij Hekma heten de heteroseksuele nemers van nichten ‘tules’, waarbij zich overigens het merkwaardige geval voordoet dat Van Dale het woord tule (sub 1) verklaart als ‘mannelijke homoseksueel (met de connotatie: de vrouwelijke rol vervullend)’.
Voor Kavafis komen we bij tijdgenoten enkele malen de aanduiding adelfí ‘nicht’ (eigenlijk ‘zus’) tegen, en voor bepaalde vrienden van hem de aanduiding epivítoras, letterlijk ‘berijder’ (in het Grieks vaak gebruikt voor ‘dekhengst’, zowel letterlijk als overdrachtelijk).
Over wat er van dit alles (geweest) zij in het leven van Kavafis, weten we zoals gezegd amper iets met stelligheid. Wel kunnen we zeggen dat voor een nicht die deze kant van zijn persoonlijkheid angstvallig verborgen wilde houden – zoals in het geval van Kavafis – de noodzaak daartoe alleen maar des te sterker geweest moet zijn; zijn vrouwelijke homoseksualiteit zou, als hij er al te openlijk mee naar buiten trad, met schande overladen worden, veel meer dan de mannelijke rol van een ‘tule’ (in Hekma’s betekenis).
In de beeldvorming maakte het niet heel veel uit of je die mannelijke rol op een man uitleefde of op een vrouw; van Kavafis’ broer Paul moet algemeen bekend geweest zijn dat hij homoseksueel was, maar die was van het mannelijke type. Andersom zou je, als Kavafis zich zo uitgeleefd had als Liddell ons op grond van zijn gedichten wil doen geloven, verwachten dat er dan wel meer berichten in dat verband over zijn leven waren overgeleverd.
In onze tijd mag het bijna onvoorstelbaar zijn dat er aan zinnelijke begeerten niet toegegeven zou zijn, maar als we Mary Kemperinks recente Anders dan de anderen. Homoseksualiteit op het snijvlak van literatuur en wetenschap (Amsterdam/Antwerpen 2024) lezen, dan spreekt zoiets in de tijd van Kavafis helemaal niet zo vanzelf.
Is het misschien denkbaar dat Kavafis maar amper of zelfs nooit aan zijn verlangens heeft toegegeven en ze alleen ‘gesublimeerd’ heeft in zijn poëzie? Denkbaar is alles, maar: we weten het gewoon niet, net zo min als we iets met zekerheid over het tegendeel weten. En wat zou het er ook toe doen, wat zijn gedichten betreft? Misschien dit: het zou de grote plaats kunnen verklaren die onvervulde begeerten innemen in zijn gedichten en zou die gedichten een extra lading geven.
Hoe dit allemaal ook zij, in zijn gedichten valt Kavafis in elk geval niet op jonge jongens, zoals weleens gemeend wordt over de dichter (voor de associatie van homoseksualiteit met pederastie hoef je niet per se in Rusland te zijn…), en ook niet op nichten. Als objecten van zijn zinnelijke gevoelens en herinneringen en van zijn bewondering voor lichamelijke schoonheid komen we in zijn gedichten vooral jonge mannen van tussen de 22 en 30 jaar tegen, en dan vaak van arme, eenvoudige komaf; dit komt overeen met de voorkeur waarover de dichter uitdrukkelijk schrijft in een van zijn ‘Aantekeningen van poëtica en moraal’, en met Hekma’s omschrijvingen van de tule. In sommige gedichten komt ook wel een begeerlijke jongeling voor die wellicht een vrouwelijke rol vervult, bijvoorbeeld in ‘Passage’, maar vooral in zinnelijk-historische gedichten als ‘Caesarion’ , ‘Temethos, Antiocheen; 400 nC’ en ‘Sofist die uit Syrië vertrekt’. Daarin wordt over een zekere (fictieve) Mevis gezegd:
‘Er is van alle jongens
die zulk een leven leiden
geen andere voor wie men
zoveel betalen wil.
Voor het bezit van Mevis,
al is het twee, drie dagen,
biedt men maar al te dikwijls
tot wel een honderd stater.’
Kavafis’ hellenisme

Iets anders wat bij Jeffreys en Jusdanis niet goed uit de verf komt, is de aard van het hellenisme bij Kavafis, zijn ellinismós. Driekwart van het boek lijkt dat alleen betrekking te hebben op de klassieke oudheid, tot aan Alexander de Grote (356-323 v.Chr.); pas tegen het eind (blz. 320) komt daar ook nog bij wat bij óns het hellenisme heet (in engere zin), dat wil zeggen de hellenistische tijd van Alexander de Grote tot in de tweede eeuw v.Chr. (of, als we de Romeinse tijd meerekenen, de vierde eeuw n.Chr.). Maar dan nog doet deze benadering geen recht aan het veel ruimere begrip ellinismós zoals het sinds midden negentiende eeuw bij de Grieken in zwang is, en zeker bij Kavafis, die als volgt over zichzelf sprak: ‘Zelf ben ik ook helleens. Denk erom, niet helleen en ook niet helleniserend, maar helleens.’
De klassieke oudheid, van de mythen en Homerus en van Athene en Sparta, komt als zodanig maar mondjesmaat voor in Kavafis’ gedichten, zij het wel in een paar van de bekendste (‘Trojanen’, ‘Ithaka’, ‘Thermopylae’), nog uit de tijd voordat hij in 1911 zijn meest eigen stem zou vinden. Als met Alexander de Grote een eind aan de klassieke periode komt, houdt voor ons in het Westen ook vaak de belangstelling op; het vervolg wordt dan als een tijd van neergang en verval gezien.
Voor de Grieken en voor Kavafis evenwel begint het hellenisme in ruimere zin – hun ellinismós – dan pas, en dan niet zomaar als een voortzetting van de klassieke tijd, maar als een nieuw begin: het hellenisme is voor hem een ándere – zeker niet mindere! – fase dan de klassieke oudheid, dankzij het huwelijk van de klassieke cultuur en die van het Oosten (en met de verbreiding van de Griekse taal over het hele Nabije en Midden-Oosten). Natuurlijk wil Kavafis de klassíeke oudheid niet negeren, maar het meest karakteristiek komt die in zijn gedichten voor in allerlei voortlevingen in de tijd van het latere hellenisme zoals hij dat zag.
Zo komen we in ‘In een stad van Osrhoene’ (1917) de Platonische figuur Charmides tegen. In dit gedicht wordt de lof bezongen van de oosterse smeltkroes van volken die de hellenistische wereld was, onder de paraplu van de helleense taal en cultuur, met in elk geval een open en ongedwongen verering voor de lichamelijke (mannelijke) schoonheid en de zinnelijkheid. Via Plato’s Charmides wordt er wel een verband gelegd met de zuiver helleense wereld van het klassieke Athene; in Plato’s dialoog evenwel gaat het nog om een ideaalbeeld dat aanleiding geeft tot een filosofische gedachtewisseling, terwijl ‘Charmides’ in Kavafis’ gedicht, in de gedaante van Remon, zich staande moet zien te houden in de hellenistische smeltkroes van Osrhoëne en het ruige kroegleven aldaar – iets waarin hij dankzij zijn lichamelijke schoonheid en ondanks zijn verwondingen wonderwel lijkt te slagen.
Verder kapittelt Kavafis op zeker ogenblik Gibbon, die in zijn Decline and Fall over Kleopatra spreekt als een ‘barbaarse koningin’ – Kavafis: ‘Ik zou wel eens willen weten bij welke Griekse of Latijnse auteur deze uitzonderlijke uitdrukking voorkomt’. De aanduiding ‘barbaarse koningin’ voor Kleopatra moet wel uit de koker komen van Gibbon zelf. Dit punt zat Kavafis hoog, omdat hij graag de nadruk legde op de Grieksheid van de Ptolemeïsche koningen van Egypte en dus ook van Kleopatra, de laatste vorst van dat huis. Weliswaar bezat zij oosterse trekken – zoals Kavafis het hellenisme in de oosterse wereld in het algemeen graag zag, zichzelf incluis –, maar deze zijn beslist te onderscheiden van het barbaarse waar Gibbon over spreekt.
Dat het hellenistische Oosten al na anderhalve eeuw door de Romeinen veroverd begon te worden (van kort na 200 tot 30 v.Chr.) leek Kavafis niet zo te deren. Het viel misschien wel te betreuren, maar het oostelijk deel van het Romeinse rijk bleef cultureel en taalkundig gesproken gewoon hellenistisch; ook Rome zelf trouwens begon vanaf de tweede eeuw v.Chr. te helleniseren. Dat de helleens-oosterse cultuur en helleense taal (de koinè) de overhand hielden of kregen, lijkt voor Kavafis belangrijker geweest te zijn dan de teloorgang van de politieke macht. Wat het Oost-Romeinse rijk betreft, kunnen we dan ook spreken van een doorgaande hellenistische tijd, met daarin desnoods een hellenistisch-romeinse periode.
Het hellenisme in die zin hield voor Kavafis ook niet op met het begin van de Byzantijnse tijd, begin vierde eeuw: vyzantinismós bij Kavafis is de roemvolle voortzetting van het hellenisme in Byzantijnse, gekerstende gedaante, en heel iets anders dan de negatieve aanduiding byzantinisme zoals wij die kennen (en het Grieks trouwens ook wel).
De Byzantijnse tijd begint voor Kavafis (en de meeste Grieken) bij Constantijn de Grote (keizer van 306-337), dus Symeon de Pilaarheilige behoort voor hem tot de (vroeg-)Byzantijnse periode en niet tot de late oudheid (zoal de auteurs zeggen, blz. 320).
Met de val van het Byzantijnse rijk in 1453 zou je denken dat er een eind kwam aan de roemvolle vyzantinismós (het Griekse Byzantium) en dus aan de ellinismós, maar opnieuw: de politieke macht mocht sindsdien dan bij de Osmanen berusten, met het hellenisme in ruimere zin als culturele en talige eenheid was het nog lang niet gedaan, nu in de vorm van de orthodoxe wereld als erfenis van Byzantium.
Veel iconen en muurschilderingen van na 1453 tot begin negentiende eeuw worden meestal gewoon Byzantijns genoemd, waar post-Byzantijns voor ons gevoel nauwkeuriger zou zijn; ook noemde Kavafis zijn afkomst uit Constantinopel graag Byzantijns, terwijl de vroegste gegevens die hij als genealoog vermeldt niet verder teruggaan dan midden achttiende eeuw.
En na de Griekse onafhankelijkheid van 1830 dan? Het vrije Griekenland vormde maar een klein stukje van de grote Griekse wereld van het hellenisme waarmee Kavafis zich verbonden voelde. Tot 1922 was die grote Griekse wereld minstens zo belangrijk als het kleine Griekenland met het provinciale Athene als hoofdstad.
Dat was te danken aan de kosmopolitische Griekse burger- en handelsklasse die juist in de grote Griekse wereld buiten Griekenland heerste en waar ook de familie Kavafis toe behoorde: in Klein-Azië (met Smyrna en Constantinopel als grotere Griekse steden dan Athene), de Balkan, Zuid-Rusland (Odessa) en het Nabije en Midden-Oosten (Alexandrië!).
Zo bestond er voor Kavafis een doorgaande ellinismós van Alexander de Grote tot zijn eigen tijd, waaraan pas in 1922-23 een einde kwam met de Klein-Aziatische Catastrofe en de aansluitende bevolkingsuitwisseling; toen pas kwam de Griekse wereld grotendeels samen te vallen met de moderne Griekse staat, die trouwens zelf intussen wel wat uitgedijd was. Het is dan ook de vraag of E.M. Forster, die groot geworden was in de Britse traditie van verering voor de klassieke of (met inbegrip van het hellenisme in engere zin) antieke oudheid, Kavafis’ veel ruimere hellenisme wel zo goed begrepen heeft in hun jaren van vriendschap en correspondentie sinds 1917.
Interpretaties
Als vertaler van Kavafis’ werk was ik in het bijzonder geïnteresseerd in wat de auteurs te zeggen hebben over specifieke gedichten of andere teksten, en even natuurlijk trek ik dan vooral naar interpretaties waar ik vanuit mijn eigen vertaalervaring moeite mee heb.
Zo beweren de auteurs over het bekende ‘Ithaka’ (blz. 333 e.v.) dat dit gedicht ‘captive to the deification of Homer’ blijft en dat het Odysseus is die in het gedicht wordt toegesproken bij het begin van zijn reis van Troje naar huis.
Maar het kenmerkende van dit gedicht is nu juist dat de jij die wordt toegesproken iedereen kan zijn en dat Ilias en Odyssee niet systematisch in het gedicht voorkomen; hooguit resoneert van het epos het een en ander mee in het gedicht, maar dan sterk selectief, naar de wensen van Kavafis. Zo is van Troje in elk geval al helemaal geen sprake, en aan het slot heeft de toegesprokene allang begrepen ‘wat Ithaka’s beduiden’ (niet: wat Ithaka beduidt).
Volgens de auteurs is Kavafis’ gedicht
‘Ben ik gegaan’ –
‘Beperkt heb ik me niet. Ik heb me laten gaan, volkomen.
Naar de genietingen die voor de helft reëel
en voor de helft spinsels in mijn gedachten waren
ben ik gegaan, daar waar de nacht verlicht is.
Krachtige wijnen dronk ik er, zoals
drinken wie onvervaard zijn in de lust’
– ‘a simple lyric that focuses on drinking’ (blz. 196).
De focus in dit gedicht ligt evenwel niet op drinkgelagen, maar op zinnelijke belevingen; die vergelijkt Kavafis wel vaker met ‘krachtige wijnen’, ze zijn bij hem een metafoor voor zijn ándere zinnelijke belevingen.
De auteurs willen graag een parallel zien met het drankgebruik dat Kavafis’ jeugdige vriendenkring gekenmerkt moet hebben, maar daarmee wordt dat nog niet tot thema van dit gedicht. Elders erkennen de auteurs dat zelf in feite ook – ‘één klap op de spijker en één op het hoefijzer’, wederom –, als zij in het gedicht een ‘homoerotic theme’ herkennen (blz. 376).
In ‘Gekomen om te lezen –’ gaat een jonge man van 23 op een bank liggen om dichtbundels en geschiedenisboeken te lezen, maar al spoedig krijgen zinnelijke verlangens de overhand:
‘De boeken zijn z’n leven –
maar hij is drieëntwintig en een mooie jongen,
en deze middag raken van de liefde
zijn lippen en zijn ideale lijf doortrokken.’
Hoe kun je daar een ‘disavowal of books and preference for carousing [bacchanalen]’ (blz. 197) in lezen? Dat kunnen de auteurs alleen omdat ze zo graag parallellen uit Kavafis’ leven in zijn gedichten terug willen zien, in dit geval met zijn dierbare vriend Mikés (in 1889 overleden), die werkelijk een hekel aan boeken gehad schijnt te hebben; de persoon in het gedicht heeft dat nu juist níet, hij wordt alleen een keer, heel menselijk, overmand door zijn zinnelijke begeerte. En als de auteurs over het dichtertje in ‘Dat is hem’ (dat jaloers is op de roem van Loukianos/Lucianus) beweren dat ‘Like the imaginary poet, [Kavafis] yearned to be identified in the crowd as the one [Loukianos]’ (blz. 361), heeft die gelijkstelling geen oog voor de ironie van het gedicht, die in de eerste plaats het denkbeeldige dichtertje zelf treft, maar indirect tot op zekere hoogte ook Loukianos.

De figuur van Julianus (keizer van 361-363, die het helleense heidendom terug wilde brengen) was zeker een bête noir van de christenen, maar was hij dat ook van Kavafis in zijn vele Julianus-gedichten (blz. 4)? Kavafis had een fascinatie voor deze ascetische keizer, dat is duidelijk, maar in veel gedichten over hem komen de christenen er ook niet al te best af; wat de dichter geïnteresseerd moet hebben was niet het gelijk van de ene of de andere partij, maar de mengcultuur die in de vierde eeuw aan het ontstaan was van de oude helleense met de nieuwe christelijke traditie.
En als de auteurs over de Atheense reis van Kavafis met zijn broer in 1901 schrijven: ‘They often took a hotel in the beach town of Phaleron, where they swam daily’ (blz. 123), dan kan dat niet anders dan gebaseerd zijn op het dagboekje van die reis dat Kavafis had bijgehouden. Daarin staat nergens dat ze de zee ingegaan zijn – wat mij bij Kavafis ook zou verbazen –, alleen een aantal malen dat ze de plage opzochten (het dagboekje is in het Engels); daarmee zal toch wel de Griekse paralía bedoeld zijn, de kustpromenade met alle terrasjes en ander mondain vertier van dien. Bovendien zijn ze, na een verblijf in een hotel in hartje Athene, op zekere dag (één keer dus) naar Fáliro verkast, in de vergeefse hoop op een draaglijker klimaat in de hete zomerdagen; daar zijn ze toen voor de rest van hun Atheense verblijf toch maar gebleven.
Vormaspecten
Over het veelbesproken onderwerp van Kavafis’ heel eigen taalgebruik doen de auteurs juiste uitspraken, maar als ze stellen dat hij ‘quite often’ geen enkele metrische regel volgt (blz. 305), ontkennen ze wat ook de vorig jaar overleden Britse neograecus Peter Mackridge heeft aangetoond: dat Kavafis in al zijn 154 erkende gedichten het jambisch metrum aanhoudt, zij het ook met de nodige vrijheden.
Met het opvallende verschijnsel van de ‘inwendige cesuur’ in een achttiental van Kavafis’ gedichten, waar links en rechts door een leeg stukje in elke regel twee slingerende kolommen lijken te ontstaan, weten de auteurs niet veel raad; ze spreken over een ‘signature standard feature’, alsof het om een tic van de dichter gaat, en noemen zulke versregels zelfs ‘divided vertically rather than in stanza’s’ (blz. 305). Maar: beide ‘halve regels’ naast elkaar vormen twee eigen jambische eenheden, waarbij dus na de pauze het jambisch metrum gewoon weer opnieuw begint te tellen, maar de inhoud gewoon doorloopt. Het gaat dus in feite om twee aparte versregels – in de standaarduitgave van Savvidis (tweede editie van 1991, met regelnummering) tellen de ‘helften’ als aparte regels mee, zij het nog wel naast elkaar gezet. (Het voert hier te ver, uit te leggen waarom Kavafis dit zo gedaan zou kunnen hebben.)
Erkende en niet-erkende gedichten
Waar de schrijvers zeggen (blz. 305) dat maar een kleine helft van Kavafis’ gedichten rijm heeft, komt een ander vraagstuk om de hoek kijken: dat kan alleen gezegd worden als al zijn niet-erkende gedichten (ca. 135) op één hoop geveegd worden met zijn 154 erkende, zoals de laatste decennia steeds meer gebeurt.
Dat ook Kavafis’ niet-erkende gedichten – wel gepubliceerd maar later verloochend, dan wel in archief gehouden, dan wel onvoltooid gebleven – ons iets kunnen vertellen over de ontwikkeling van zijn dichterschap ligt voor de hand, maar wat precies? Waaróm heeft hij een bepaald gedicht niet erkend?
Soms kan dat geweest zijn omdat hij wegens de inhoud (nog) aarzelde ermee naar buiten te treden, en dan mogen we het misschien op één lijn met zijn wel erkende gedichten stellen. Maar als hij nu eens om de een of andere artistieke reden niet tevreden was met het resultaat, mag je het gedicht dan wel meetellen als je iets wilt aantonen, en hoe moet je het dan meewegen? Bij het rijm in elk geval moet je om op het getal van de schrijvers te komen alle oudere, door Kavafis zelf verloochende gedichten meetellen; dat is grotendeels onvoldragen jeugdwerk, zodat er een vertekend beeld ontstaat van zijn eigenlijke poëzie, de 154 erkende. Daarvan zijn er 34 die in hun geheel rijm hebben en een stuk of 40 die gedeeltelijk rijmen.
Bij de laatste komt het nogal eens voor dat er, in een verder rijmloos gedicht, opeens twee of meer regels wél rijmen; dat kan niet anders dan een bijzondere betekenis hebben.
Als bijvoorbeeld in ‘In de maand Hathor’ de ik een antieke inscriptie probeert te ontcijferen, lukt dat epigrafisch gesproken in de eerste negen ‘prozaïsche’ regels maar half, maar als die ik (Kavafis mogen we aannemen) dan besluit met de regels
‘Die Lefkios was, dunkt me, een der geliefdste knapen.
En in die maand van Hathor is Lefkios ontslapen’
(‘went to sleep’, vertalen de auteur merkwaardigerwijs), dan breekt daar het lyrisch moment aan, de gevoelsmatige climax: om te begrijpen dat Lefkios een zeer geliefde knaap was, had de ik genoeg aan die paar ontcijferde flarden. Omdat evenwel veel Kavafisvertalingen het rijm hoe dan ook weglaten, wordt ook zo’n bijzondere betekenis vaak over het hoofd gezien; dat gebeurt ook in deze biografie, die gebruik maakt van eigen vertalingen.
De auteurs bespreken ook kort Kavafis’ zelfcommentaar op ‘Kaarsen’. Daarin zegt Kavafis dat dit gedicht weliswaar ‘allegorisch’ kan ogen, maar dan allerlei tekortkomingen vertoont; volgens hem is het dan ook niet allegorisch, maar oramatikó, ‘visionistisch, droombeeldachtig’ – en niet ‘dramatisch’, zoals de auteurs dat woord weergeven (blz. 289).
Invloed van Engelse taal, poëzie en cultuur
Van een andere orde is, dat de auteurs graag de Engelse invloed op Kavafis’ leef- en denkwereld benadrukken. Nu is het zonneklaar dat Kavafis, alleen al dankzij zijn verblijf in Engeland van zijn negende tot zijn veertiende, diepgaand beïnvloed moet zijn door zijn contact met de Engelse taal, poëzie en cultuur. Maar betekent dat ook dat hij alleen langs die weg toegetrokken is naar de hellenistische periode (blz. 324)? Zoals gezien, had Kavafis daar ook vanuit zijn eigen Griekse – Helleense – achtergrond een sterke verbondenheid mee, en wel in het raamwerk van het hellenisme in ruimere zin zoals hij het zag en voelde (ellinismós), en dat was zeker ook onder sterke invloed van de Griekse historicus Konstandinos Paparrigópoulos, die de grondslag voor die benadering heeft gelegd. En heerste er in de familie Kavafis een ‘Protestant work ethic’ onder Engelse invloed (blz. 32)? Kunnen Grieken soms niet van zichzelf hard werken? Waar hebben we zoiets in het recente verleden meer gehoord…?

Aanwinst voor de Kavafis-literatuur
Waarom heb ik deze nieuwe biografie dan toch met genoegen gelezen? Volgens de dichter en criticus Yorgos Seferis, kort na de Tweede Wereldoorlog, bestaat Kavafis niet buiten zijn gedichten. Dat was als reactie op genoemde Malanos en Tsirkas maar al te juist gezegd, en vormt tegelijk ook weer een aanduiding voor de eerder genoemde ‘verborgenheid’ van Kavafis. Toch willen we van zo’n groot dichter ook graag over zijn leven lezen, als achtergrond waar zijn gedichten die we bewonderen uit moeten zijn voortgekomen. Die achtergrond bieden de twee auteurs ons ruimschoots, ook al is het mozaïeksgewijs, zoals een van de eerste Engelse besprekingen het uitdrukt, en ook al blijft Kavafis een sfinx en blijft zijn innerlijk leven niet veel minder hidden dan het was, en ook al zijn er dan kanttekeningen bij het resultaat te maken zoals hierboven gedaan is.
Lezenswaardige stukken van het mozaïek zijn bijvoorbeeld de beschrijvingen van Kavafis’ familie en haar sociale status in de hogere burger- en handelsklasse, de bovenlaag van de grote Griekse kolonie van Alexandrië die volkomen geïsoleerd leefde van de Arabische (Egyptische) bevolking, die in de stad de meerderheid vormde.
Hoewel de familie Kavafis door de vroege dood van de vader in 1871 al spoedig financieel niet langer mee kon komen, bleef ze toch nog zo goed en zo kwaad als het ging bij de Grieks-Alexandrijnse elite horen en is Kavafis die afkomst altijd blijven koesteren. Arabisch sprak hij hooguit genoeg om met het huispersoneel te kunnen communiceren; voor zover hij de Egyptische literatuur volgde, ging dat via het Frans.
Goed afgewogen is het stuk (blz. 240 e.v.) over Alekos Sengópoulos, de jonge man met wie Kavafis een soort vader-zoonrelatie had. En verder lezen we over het verschil tussen de jonge en de oude Kavafis, voor en na het vinden van zijn eigen stem in 1911, zijn eigenlijke dichterschap.
Was hij vroeger een en al sensitiviteit en empathie, in zijn laatste twintig jaar kun je eerder van egopathie spreken (blz. 189), waarmee Kavafis de ‘agent of his own alienation, the builder of his own walls’ was (blz. 228); het laatste is een verwijzing naar zijn bekende gedicht ‘Vestingmuren’ uit 1897, waarin de ik steeds meer van de wereld buitengesloten raakt. In die afgeslotenheid bleef hij zijn leven lang met een ‘monk-like discipline’ (blz. 282) werken aan zijn ideaal van de hoge kunst, van zijn dichterschap, ‘with a monastic focus on his craft, and a loveless existence’ (blz. 410), niet bereid dichtregels van hem te veranderen om wie dan ook behalve zichzelf te plezieren (blz. 339).
Prachtig is ook het slothoofdstuk, over de Kavafis die in de jaren twintig steeds meer erkenning krijgt, maar die die erkenning ook voor de langere toekomst zo goed mogelijk tracht te organiseren via zijn ‘vriendschappen’, via de ‘salon’ die hij in de namiddagen thuis houdt en via zijn uitvoerige correspondentie. Daarin laat hij over zichzelf amper iets los, ze is vooral bedoeld als organisatievorm voor zijn zelfpromotie; als hij na jaren eindelijk persoonlijk kennismaakt met zijn zelfbenoemde ambassadeur in Athene, Marios Vaianos, bejegent hij hem op het hondse af afstandelijk.
In zijn gedichten mocht hij zich na 1911 dan stapje voor stapje wat vrijer over zijn zinnelijke aard gaan uiten, over zijn eigen leven bleef hij ook in die jaren de discretie zelve (blz. 343), met opoffering wellicht van de liefde voor het scheppen van grote poëzie (blz. 354); het was of hij na 1911 niet alleen zijn heel eigen poëzie had gevonden, maar ook een andere persoon was geworden (blz. 339); liefde voor één persoon en liefde voor grootheid (greatness) leken voor hem incompatibel (blz. 355). Over Kavafis’ persoonlijk leven: ‘perhaps [weer dat perhaps…] he felt that he had fulfilled these directives for dissolute living during his youth’ (blz. 342), waarna hij zich verder kon wijden aan de grote kunst.
En in die grote poëzie van hem leeft Kavafis voor ons nog altijd voort, bestáát hij.
*Peter Jeffreys & Gregory Jusdanis, Alexandrian Sphinx. The Hidden Life of Constantine Cavafy, Londen etc. 2025: Summit Books (eerder, vrijwel gelijktijdig, gepubliceerd in de VS als: Gregory Jusdanis & Peter Jeffreys, Constantine Cavafy: A New Biography, New York 2025:Farrar, Straus and Giroux
Bibliografische gegevens
-K.P. Kavafis, Verborgen dichterschap. Proza, samengesteld, vertaald, ingeleid en van toelichtingen voorzien door Hero Hokwerda, Historische Uitgeverij: Groningen (ter perse 2025)
-K.P. Kavafis, Als straks de schimmen komen. Poëzie, samengesteld, vertaald, ingeleid en van toelichtingen voorzien door Hero Hokwerda, Historische Uitgeverij: Groningen (ter perse 2025).
-Hero Hokwerda, ‘Kavafis speelt verstoppertje’, in: J. de Bruijn e.a. (red.), Een vreemde man, en die ons vreemd ontviel: liber amicorum voor E.W.A. Henssen (1950-1999), Bas Lubberhuizen: Amsterdam 2000, 250-266.
-Hero Hokwerda, ‘De grote Griekse wereld van Kavafis’, in Amphora. Kwartaalblad van de Vereniging Vrienden van het Gymnasium 3 (2023), VIII-XVIII (opnieuw, licht bewerkt, in: Tetradio. Tijdschrift van het Griekenlandcentrum [Universiteit Gent] 32 (2023) 47-70).
Hero Hokwerda was docent Nieuwgriekse taal- en Letterkunde aan de universiteiten van Groningen en Amsterdam en daarnaast (en dat is hij nog steeds) vertaler van Nieuwgriekse literatuur.