over: De grondleggers van Daniel Paarlberg
Een frisse en vlot vertelde Nederlandse geschiedenis ontgint voor het grote publiek een minder bekend tijdvak, maar schept een nogal eenzijdig beeld van een weerbarstig verleden.
door Henk Looijesteijn
In het Zuid-Hollandse dorp Rijnsaterwoude zit op het pleintje voor de zestiende-eeuwse dorpskerk het bronzen beeld van Priester Hendrik, ruim negen eeuwen geleden pastoor van het nu verdwenen dorp Jacobswoude, zo’n drie kilometer zuidelijker. Priester Hendrik lijkt op een monnik, gekleed in pij en sandalen, maar oogt als een man van de daad, stoer wijdbeens, de gebalde linkervuist rustend op zijn linkerdij. Peinzend kijkt hij naar de grond, in zijn rechterknuist een wat verfrommelde rol perkament geklemd.
Die rol perkament stelt het contract voor dat deze Hollandse priester, samen met vijf andere mannen uit dit deel van Zuid-Holland, in 1113 sloot met de aartsbisschop van Bremen. Daarbij zegden zij toe aartsbisschoppelijke venen te ontginnen in ruil voor het volle eigendom van de ontgonnen grond, met als verdere tegenprestatie een lichte belastingheffing. Binnen twintig jaar stonden nabij Hamburg, in wat nu het Alte Land heet, verschillende Holländerdörfer, met honderden hoeven en natuurlijk de bijbehorende kerken. Het oudste van deze dorpen was Steinkirchen.

Priester Hendrik en zijn kameraden deden wat ze al gewend waren in het land waar ze vandaan kwamen. Ook daar waren de venen op grote schaal ontgonnen, met toestemming van de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht die in ruil voor de ontginning en de daaruit volgende belastingheffing de boeren hun vrijheid en landbezit waarborgden. Ook daar werden de overeenkomsten tussen ontginners en landsheren vastgelegd in een contract, de zogenaamde cope. De verkaveling van het Alte Land lijkt dan ook als twee druppels water op die van Holland.
Priester Hendrik werd in de archieven teruggevonden door Henk van der Linden (1922-2012), hoogleraar oudvaderlands recht, dijkgraaf en pionier op het gebied van regio- en waterstaatsgeschiedenis. Hij promoveerde in 1956 op een klassieke studie naar de cope en de rol daarvan bij de ontginning van de Hollands-Utrechtse veengebieden. Het was op zijn initiatief dat in 1993 door de Duitse beeldhouwer Carsten Eggers een bronzen beeld van Priester Hendrik werd gemaakt en geplaatst voor de kerk in Steinkirchen. Acht jaar later werd de Rijnsaterwoudse kopie van dit beeld geplaatst – een mooie symbolische onderstreping van de connectie tussen Nederlandse en Duitse plattelandsgebieden met een vergelijkbare oorsprong. In de Canon van Nederland heeft Priester Hendrik een eigen plaatsje: https://www.canonvannederland.nl/nl/zuid-holland/zuid-holland/priester-hendrik.

Van der Lindens klassieke studie is het uitgangspunt van het recent verschenen De grondleggers van Daniel Paarlberg, waarin de auteur de bloei van de laatmiddeleeuwse Hollandse economie – en bij uitbreiding de Gouden Eeuw – herleidt op de Grote Ontginning, toen tussen de elfde en de dertiende eeuw de laagveengebieden in Zuid-Holland en West-Utrecht in cultuur werden gebracht. Paarlberg is afgestudeerd als socioloog en politicoloog en werkte zo’n vijftien jaar voor het organisatieadviesbureau McKinsey. De cope is in zijn ogen de grondslag van het eigendomsrecht, dat vervolgens weer ten grondslag lag aan de economische bloei van westelijk Nederland: de waarborg dat de landsheer niet onverhoeds een greep deed in de kas van zijn onderdanen leidde tot het vertrouwen dat men veilig kon investeren en bezit kon opbouwen, hetgeen op de lange termijn zeer gunstig uitpakte.
Grote Ontginning, Grote Omkering, Grote Bloei
Paarlbergs boek is opgedeeld in drie delen, en behandelt eerst de Grote Ontginning. Daarna volgt de ‘Grote Omkering’, zoals Paarlberg het noemt, toen de maaivelddaling van het ontgonnen veengebied een zelfvoorzienende landbouweconomie onmogelijk maakte en dwong tot een meer marktgeoriënteerde handel- en nijverheidseconomie. Ten slotte volgt de ‘Grote Bloei’ die daar het gevolg van was. Paarlbergs drieledige vertelling heeft met goedgekozen en makkelijk te onthouden beeldspraak de schoonheid van de eenvoud. De roemruchte Gouden Eeuw kwam niet uit de lucht vallen, zo laat hij zien, maar had een lange – en fascinerende – aanloop gedurende de zes eeuwen daarvoor. Paarlberg volgt in zijn verhaal – al zegt hij dat niet als zodanig – het werk van vooraanstaande Nederlandse economische en sociale historici als Bas van Bavel, Maarten Prak en Jan Luiten van Zanden. Hun onderzoek staat – in elk geval deels – in het teken van het internationale debat onder economische historici over de vraag hoe het toch kon dat het juist de landen in Noordwest-Europa waren die de aanzet gaven tot de hedendaagse markteconomie. De Nederlandse economie van de vroegmoderne tijd – de tijd tussen 1500 en 1800 zeg maar – is in dat kader wel eens de eerste ronde van moderne economische groei genoemd. De opkomst van de Hollandse handels- en nijverheidseconomie in de middeleeuwen was daarvoor een noodzakelijke voorwaarde.
Vertelling waarin de Gouden Eeuw nou eens níet centraal staat
Paarlberg plaatst dit fascinerende maar bij het grote publiek tamelijk onbekende verhaal in De Grondleggers op de voorgrond. Hij doet dat met aanstekelijk enthousiasme, een vlotte pen, treffende beeldspraken en met een lichte toets. Zijn boek is een gedreven en meeslepend betoog, waar het schrijfplezier van de bladzijden spat. In een tijd waarin de academische geschiedschrijving en het grote publiek in Nederland uit elkaar drijven, ten gevolge van de voortschrijdende specialisering en internationalisering van het academisch bedrijf, weet hij recente wetenschappelijk-historische inzichten in een toegankelijke stijl inzichtelijk te maken. Paarlberg brengt ook de opwinding van het nieuwe, een frisse vertelling waarin voor de verandering eens niet de Gouden Eeuw centraal staat.
De Grondleggers vertelt een goed opgezet verhaal dat ik daarom met plezier heb gelezen. Maar het is de vraag of het ook goede geschiedschrijving is. Paarlberg schetst een beeld van ontginners en landsheren die zich collectief als voorbeeldige homo economicus gedragen. Paarlberg zingt de lof van de ‘ondernemende’ boeren die door de graaf en de bisschop geen strobreed in de weg zouden zijn gelegd. Hij brengt zijn verhaal nadrukkelijk als een uitzonderlijk, Nederlands verhaal, noemt herhaaldelijk de Grote Ontginning van het Hollands-Utrechtse veengebied ‘uniek’ en ‘bijzonder’, maar onderbouwt dat niet – in Bremen verkregen Priester Hendrik en zijn gezellen immers ook grote vrijheden. Merkwaardigerwijs komt Priester Hendrik echter niet voor bij Paarlberg, ook al kan Hendriks bestaan gezien zijn gebruik van de Canon hem toch niet zijn ontgaan. Dat de Grote Ontginning ook in andere delen van Europa zijn tegenhangers had, blijft dus onderbelicht.
De adel nam maar al te vaak grote risico’s
In het beeld van verstandelijke en verstandige graven en bisschoppen is niet of nauwelijks ruimte voor enerzijds de adellijke eercultuur of anderzijds de godsdienstigheid die de middeleeuwen kenmerkten. In het streven naar eer nam de adel maar al te vaak grote risico’s. Van de drie dertiende-eeuwse Hollandse graven die Paarlberg noemt – Floris IV (links), Willem II (midden) en Floris V (rechts) – verloor de eerste het leven bij een toernooi: bij een gewelddadig spel dus. Zijn zoon Willem II vergooide zijn leven en een reële kans op de Duitse keizerskroon met een ondoordachte veldtocht tegen de Westfriezen die hij ook best had kunnen uitstellen. Zelfs Willems sluwe zoon, graaf Floris V, verliet zijn nog maar ternauwernood tot rust gebrachte graafschap om de koortsdroom van een Schotse troon na te jagen. Persoonlijke en familiale eer en alle avonturen die daar bij kwamen waren voor de middeleeuwse adel minstens zo belangrijk als de economische winstmaximalisatie die de landsheren volgens Paarlberg nastreefden.
De Utrechtse kant komt er bekaaid van af
Daarnaast komt de Utrechtse kant van het verhaal er nogal bekaaid van af. In vergelijking met de Hollandse graven speelt de bisschop in het vertoog een beperkte rol, terwijl juist grote delen van de venen door de bisschop werden vergeven. De vijf Utrechtse kapittelkerken speelden een belangrijke rol in de Grote Ontginning, maar ontbreken volledig in het verhaal. De stad Utrecht, tot het einde van de zestiende eeuw de grootste stad benoorden de grote rivieren en een belangrijk handel- en nijverheidsknooppunt, komt nauwelijks aan de orde. Ook de omvangrijke Friese handel in de vroege middeleeuwen en de in de late middeleeuwen zo belangrijke Hanzesteden in het IJsselgebied met hun Oostzeehandel blijven grotendeels buiten beschouwing. Het gevolg is een hollandocentrische vertelling die een groot deel van de rest van Nederland veronachtzaamt en een vertekenend beeld geeft van een veel ingewikkelder historische werkelijkheid. Het is dan ook nauwelijks een ‘verhaal van Nederland’, zoals de ondertitel beweert.
Paarlberg heeft ook weinig oog voor de keerzijden van de economische medaille. Ondanks alle welvaart in deze streken was ook in Nederland tot ver in de twintigste eeuw armoede structureel. De polders van West-Nederland werden in stand gehouden met een dijkleger – letterlijk zo genoemd – van marginale dagloners die al dan niet met hun gezinnen van klus naar klus zwierven en daar doorgaans weinig mee verdienden. Paarlberg noemt deze eeuwig precaire poldergasten niet. Hij stipt kort wat hij een ‘verzorgingsstaat’ in de Hollandse steden noemt aan, maar dat is eigenlijk te veel eer voor een lapwerk van private instellingen dat meestal met moeite de eigen armen kon ondersteunen. Historische onderzoek heeft aangetoond dat de gewone man of vrouw het in laatmiddeleeuws Holland naar vergelijking beter had dan in andere delen van Europa, maar dat wil nog niet zeggen dat het leven er voor iedereen makkelijker was.
Door een markteconomische blik
Uiteindelijk bleef ik achter met de gedachte dat Paarlberg het middeleeuwse verleden wel heel erg met een door moderne markteconomische theorieën getinte bril bekijkt. Op montere toon schetst hij in hoog tempo een welhaast zonnig verleden van een volk van ondernemers dat door Adam Smiths ‘onzichtbare hand’ zichzelf onafwendbaar tot welstand brengt. Daarmee schept hij een nogal eenzijdig beeld van de Nederlandse geschiedenis, dat in het bedrijfsleven allicht een warm onthaal zal vinden maar waarin het weerbarstige middeleeuwse verleden al te duchtig is schoon geschrobd en gladgestreken. Een soort Grote Schoonmaak dus. In het optimistische en rationeel-economische verhaal waarin Paarlberg de markteconomie tamelijk kritiekloos verheerlijkt, springt hij lichtvoetig – en daarmee iets te lichtvaardig – heen over wat daar niet in past.
Daniel Paarlberg: De grondleggers. Het onwaarschijnlijke verhaal van Nederland 1000-1600 (Zwartjes & Labovic 2026)
Foto header: Vincent van Zeijst / Wikimedia Commons


