‘Waar, goed en schoon’ in literatuur en wetenschap



Hoe hangen de domeinen literatuur en wetenschap samen? Schuilt de eeuwige waarheid inderdaad in de poëzie of is een dergelijke aanname het ‘geestesspinsel van een spinnenwebwever’? Een essay over Shelley versus Nietzsche. En hoe keken Kant, Frege, Wittgenstein, Foucault en Searle naar ‘waar, goed en schoon’, en de rol van taal?


door Hanneke van Schooten


Het ware, het goede en het schone zijn drie fundamentele categorieën in de filosofie, met name in de leer van Plato. Zij vertegenwoordigen de hoogste abstracte idealen die de mens probeert te begrijpen en te benaderen. Ze zijn met elkaar verbonden en stimuleren de zoektocht naar kennis, waarheid en schoonheid.

In de wetenschap staat één onderdeel van dit heilig driespan centraal: de waarheid. Aan de hand van de vraag : ‘hoe kan ik de wereld kennen en welke methode hanteer ik om tot zuivere kennis te komen?’ zijn in de loop van de eeuwen een veelheid aan waarheidstheorieën ontwikkeld. Welke argumenten spelen daarin een rol in het licht van ‘waar, goed en schoon’?

In de literatuur komt de dichter Shelley tot een opmerkelijke uitspraak: ‘A poem is the very image of life expressed in its eternal truth’. Met die uitspraak verbindt hij poëzie (het schone en het goede) onlosmakelijk met waarheid (het ware). Nietzsche daarentegen hanteert de hamer met betrekking tot deze samenhang. Hij stelt dat ‘spinnenwebwevers van de geest’ het ‘ware’ verwarren met wenselijkheden. Immers, ‘niemand zal een uitspraak als waar beschouwen, louter en alleen omdat zij gelukkig of deugdzaam maakt.’  

In dit essay worden van deze twee uiterste standpunten van Shelley en Nietzsche  – literatuur en wetenschap – onderzocht en tezamen met een scala aan tussenliggende filosofische opvattingen vergeleken in het licht van het klassieke trio ‘waar, goed en schoon’. Hoe hangen beide domeinen samen? Schuilt de eeuwige waarheid inderdaad in de poëzie of is een dergelijke aanname het ‘geestesspinsel van een spinnenwebwever’? Ook wordt de rol van de taal belicht.

Waarheid en poëzie volgens Percy Bysshe Shelley (1792-1822)  

In zijn essay A Defence of Poetry (1820/21) verdedigde de romantische Engelse dichter Shelley zijn stelling dat gedichten een eeuwige waarheid uitdrukken. Zijn essay vormde een reactie op het artikel ‘Four Ages of Poetry’  van zijn vriend Thomas Love Peacock over de functie van poëzie, waarmee hij het hartgrondig oneens was. Peacock stelde namelijk dat poëzie nutteloos en overbodig is geworden in een tijd van wetenschap en technologie en dat intelligente literatoren hun energie   beter kunnen besteden aan die wetenschap en technologie. Shelley schreef in een brief aan Peacock:

Your anathemas against poetry itself excited me to a sacred rage (…). I had the greatest possible desire to break a lance with you (…) in honour of my mistress Urania.

De degens die hij wenste te kruisen met Peacock nam de vorm aan van het boven genoemde essay A Defence of Poetry. Zijn essay staat centraal. Hoe kwam Shelley tot zijn opmerkelijke uitspraak en welke argumenten gebruikte hij voor zijn stellingname. 

Percy Bysshe Shelley door Alfred Clint
Wikimedia Commons

A Defence of Poetry; de lijn van het betoog

Shelley maakte deel uit van een groep dichters en filosofen die de vernieuwende ideeën van de revolutie aanhingen. Hij was een sleutelfiguur in het Engelse  humanisme; sterk beïnvloed door de idealen van de Verlichting. Hij was zonder twijfel vóór het veranderen van de wetgeving van zijn tijd. Met zijn non-conformistisch houding  rebelleerde hij tegen de toenmalige wetten en regels met betrekking tot  o.m. religie en huwelijk. 

Bovendien was er in Shelley’s benadering geen tegenstelling tussen poëzie, waarheid en politieke filosofie. Shelley’s idee over de functie van poëzie is helder. Kort gezegd probeert hij aan te tonen dat dichters moraliteit en waarheid creëren met hun poëzie en daarmee hogere normen vestigen en zo de grondleggers zijn van een ‘civil society’.

Hoe onderbouwt Shelley zijn uitspraak dat gedichten de uitdrukking zijn van eeuwige waarheid?  Hij begint zijn betoog met het onderscheid tussen rede en verbeelding. Waar de rede zich met behulp van logische denken richt op het analyseren van de verschillen der dingen, daar zoekt de verbeelding de overeenkomsten in het geheel. De rede als beginsel van analyse, is een opsomming van feiten en hoedanigheden die al bekend zijn. De verbeelding echter, als beginsel van synthese is de gewaarwording van de waarden van die feiten en hoedanigheden; elk op zich en vooral ook als geheel. De rede, stelt Shelley, is voor de verbeelding wat het lichaam is voor de geest.

In deze tweedeling vormt poëzie een expressie van de verbeelding. Poëzie is met de mens verbonden geweest vanaf het ontstaan van sociale gemeenschappen. Elk menselijk wezen wordt als een instrument gedreven door externe indrukken, zoals de wisselingen van een steeds veranderende wind door een eolusharp. Maar, anders dan een windharp, kan een mens niet alleen één toon horen, maar een harmonie van melodieën.

Als een sociaal wezen zal de mens zijn wil tot handelen vormen op grond van tegengestelde  beginselen zoals gelijkheid en diversiteit, eenheid en contrast en wederzijdse afhankelijkheid. Omdat de mens vanaf het ontstaan van sociale gemeenschappen steeds het besef heeft gehad van een zekere ordening  in woorden – woorden die naar dingen, indrukken en ervaringen verwijzen – zullen alle bewoordingen en verbale uitdrukkingswijzen onderworpen  zijn aan de regels waaruit ze voortkomen. De regels van de taal en de sociale orde.

Het ordenend vermogen van het woord geldt voor alle menselijke wezens, en wel heel in het bijzonder voor dichters. Zij kunnen met een bepaalde orde in ritme, in klankkleur en -rijm een intens geluk geven aan de lezer. In dit licht definieert Shelley poëzie als het vermogen om schoonheid te creëren. Schoonheid en waarheid.

Poëzie wordt, zoals gezegd, met haar ordenend vermogen, haar taalmuziek en haar schoonheid altijd begeleid door gevoelens van betovering en ontroering. De geest die het tot zich neemt opent zich voor de wijsheid die de betovering in zich draagt. De dichter troost daarmee niet alleen de lezer, maar in de eerste plaats ook zichzelf. Al weet de dichter vaak niet hoever zijn woorden reiken. 

A poet is a nightingale, who sits in the darkness and sings to cheer its own solitude with sweet sounds; his auditors are as men entranced by the melody of an unseen musician, who feel that they are moved  and softened, yet know not whence and why.

Poëzie is niet alleen een uitdrukking van de verbeelding die orde en schoonheid in zich draagt. Shelley stelt: ‘A poem is the very image of life expressed in its eternal truth (cursivering HvS).’ Het eeuwige ware, dat wordt uitgedrukt in een gedicht, dat de lezer herkent en waarvan hij overtuigd raakt door de schoonheid en de betovering van taal. Al vanaf de Griekse Oudheid, stelt Shelley, geven grote dichters door de eeuwen heen deze onvervreemdbare orde van waarheid en schoonheid weer. Poëzie, die door haar schoonheid ons de overtuigingskracht geeft om het universele en het eeuwige juiste te laten zien, ‘(…) lifts the veil from the hidden beauty of the world.’ 

Poëzie is universeel en omvat de kiemen van de toekomst in zich, zoals zaden in de aarde al de toekomstige plant bevatten. Een dichter kan daarom ook als ‘profeet’ worden gekenschetst.  De waarlijk groten in karakter, zoals de personages in het werk van Homerus, Dante, Shakespeare en vele anderen, zullen voortaan in de geest van hen die erover lazen, als ijkpunt in hun geheugen staan en zich uitbreiden over al hun denken en handelen. Er kan niet getwijfeld worden, stelt Shelley, dat zij die de dichters uit de Griekse Oudheid lazen, werden gewekt tot de ambitie te worden als Achillus, Hector en Odysseus: het ware, het goede en het schone van vriendschap, vaderlandsliefde, en de onvoorwaardelijke toewijding voor mensen en dingen, werden door deze dichters onthuld in hun onsterfelijke creaties. Het inzicht van de lezers (en toehoorders) werd er door verfijnd en vergroot door middel van de sympathie die zij voelen voor zulke grote en aanminnige personages. De laatstgenoemden werden tot ijkpunt voor eigen toekomstig handelen.

Met een groot mens, uitgebeeld in poëzie, zullen lezers zich identificeren en overeenkomstig  handelen. Aldus Shelley. De dichter wijst met zijn poëzie de weg naar een hogere en universele moraliteit. Dichters zijn in deze lijn van het betoog niet alleen de scheppers van het schone  in (woord)muziek, zij vestigen een hogere, universele waarheid die uitdrukking geeft aan het eeuwige goede.  

Door de bewondering voor de onsterfelijke creaties van dichters, identificeert de lezer zich er niet alleen mee,  hij wordt ook opgetild uit zijn eigen worsteling met verdriet en vergankelijkheid, en zijn onmacht tegenover de dood. Dat ‘opgetild worden’ – in de zin van ‘zichzelf overstijgen’ – is bijna in religieuze zin bedoeld. De waarde van poëzie wordt door Shelley benadrukt  als ‘heilig’. ‘Poetry is indeed something devine.’ Dichters zijn de opperpriesters van bezieling en inspiratie. Zij geven een onvervreemdbare orde weer, beheerst door wetten van waarheid en schoonheid, die hen maakt tot de grondleggers van een ‘civil society’. Shelley herhaalt dat dichters, in vroegere tijden  ‘wetgevers of profeten’ werden genoemd. Zij zijn dat nog steeds, stelt Shelley, en hij eindigt zijn betoog met zijn beroemde uitspraak: ‘A poem is the very image of life expressed in its eternal truth.’

Op zoek naar de waarheid; waarheidstheorieën

Zoals gezegd zijn in de loop van eeuwen, in de zoektocht naar zuivere kennis, een diversiteit aan waarheidstheorieën ontwikkeld. Hieronder komen kort enkele theorieën aan de orde die relevant zijn voor het thema van dit essay.

Bertrand Russell. By Bassano, vintage print, 1936

Correspondentietheorie

In de correspondentietheorie van de waarheid die zijn oorsprong vindt in het werk van Aristoteles, wordt een uitspraak als ‘waar’ beschouwd, indien deze correspondeert met de zintuiglijk waargenomen werkelijkheid (de wereld) en deze accuraat beschrijft. De bewering ‘Daar staat een stoel’ is waar, als er daadwerkelijk een stoel staat. Deze enkelvoudige bewering betreft alle ‘dingen’ die in de werkelijkheid waarneembaar zijn. Een tafel, een auto, een huis.
De Engelse filosoof Bertrand Russell stelt in zijn boek The Problems of Philosophy (1912) dat een samengestelde uitspraak waar is, als deze congruent is met de stand van zaken in de werkelijkheid. De samengestelde bewering ‘De kat ligt op de mat’ is alleen waar als er een kat bestaat, een mat bestaat en deze kat op die mat ligt. Als een van deze dingen ontbreekt, dan is de bewering onwaar.
De correspondentietheorie van de waarheid lijkt helder en eenvoudig, maar kent ook tekortkomingen. Niet alleen kunnen onze zintuigen ons bedriegen (vroeger dacht men dat de zon kleiner was dan de aarde), maar ook zijn er ‘dingen’ die zich onttrekken aan zintuiglijke waarneming. Zo is bijvoorbeeld rechtvaardigheid iets wat we niet kunnen waarnemen, net als morele oordelen, beloftes of rechten.
Het ‘ware’ beperkt zich in de  correspondentietheorie tot uitspraken over fysieke ‘dingen’ die zintuiglijk waarneembaar zijn. Uitspraken over bijvoorbeeld rechtvaardigheid (‘dit rechtelijk vonnis is goed’) en over esthetische uitspraken (‘dit gedicht is mooi’) kan geen conclusie van ‘waar’ worden getrokken. 

Immanuel Kant (1724-1804)

Immanuel Kant

Om dit mankement van de correspondentietheorie te ondervangen ontstonden nieuwe ideeën om tot waarheid te komen. Kant bouwde een systeem van universele en rationele plicht. Hij ontwikkelde over de ware bewering tussen woord en werkelijkheid een complexe visie en stelt dat we de ware wereld niet kunnen kennen uit waarneming alleen, maar vooral ook aan de structuren van ons verstand, die berusten op onze ervaring.
Kants stelling dat kennis weliswaar waarneming is, maar dat die waarneming niet gebeurt zonder denken. De gedane waarneming wordt geïnterpreteerd en het denken legt haar structuur, haar kaders op de waarneming. Deze denkkaders bepalen de werkelijkheid zoals ze ons voorkomt, de waarneming alleen kan dat niet. Met het idee van de denkkaders trekt Kant meer dan alleen het zintuiglijk waargenomene zijn theorie binnen.

Friedrich Nietzsche (1844-1900)

Nietzsche valt in zijn boek Voorbij goed en kwaad  (1886) deze waarheidstheorieën in scherpe bewoording aan. Met zijn uitspraak ‘Waarheid bestaat niet, alles is interpretatie’ legt hij een bom onder het optimisme van de waarheidsvinding in het algemeen en onder het klassieke trio ‘waar, goed en schoon’ in het bijzonder. Hij hanteert de hamer als hij stelt dat in dit licht de door hem verworpen waarheidsfilosofen ‘baliekluivers en spinnenwebwevers van de geest!’ zijn. 

‘Ze dwepen met het goede, het ware en het schone en laten allerlei bonte, plompe en goedmoedige wenselijkheden (cursivering HvS) in hun vijver door elkaar zwemmen. Geluk en deugd zijn geen argumenten. Bijna niemand zal een theorie als waar beschouwen, louter en alleen omdat zij gelukkig of deugdzaam maakt.’ 

Verder stelt Nietzsche:
‘Met het zoeken naar de waarheid is het vreemd gesteld; en als de mens dat op een al te menselijke manier doet – hij zoekt het ware om alleen het goede te doen – ik wed dat hij niets vindt.’

Met waarheid zoeken op een al te menselijke manier, doelt Nietzsche op de ideeën van het humanisme. Met deze (en andere) uitspraken bekritiseert hij ook de filosofie van Immanuel Kant. Met zijn systeem van universele en rationele plichten,  hanteert Kant volgens Nietzsche, een verkapte vorm van de christelijke moraal en machtsstructuur. Nietzsche verwerpt dit standpunt in felle bewoording.  

Gottlob Frege (1848-1925)

Gootlob Frege. Foto: Emil Tesch

Met de wiskundige, logicus en filosoof  Frege vindt er een verschuiving plaats naar de focus op taal. Frege wordt wel beschouwd als een van de grondleggers van de analytische taalfilosofie; de stormvogel van de ‘linguïstic turn’. Met deze talige omwenteling verschuift de focus van taal als middel om tot waarheid te komen, naar de taal zelf als onderzoeksterrein. Deze ontwikkeling begint vanaf het begin van de 20e eeuw. Europese en Amerikaanse filosofen richten hun aandacht steeds meer op het verschijnsel taal.
Ter illustratie gebruikte Frege het bekende voorbeeld van een talige bewering in zijn beroemde essay ‘Über Sinn und Bedeutung’ (1892). Hij gebruikte het voorbeeld om het verschil tussen Sinn en Bedeutung te illustreren: de Morgenster en de Avondster. Beide woorden verwijzen naar de planeet Venus, afhankelijk waar en wanneer je deze planeet ziet.
En hoewel er verschillende woorden (Sinn) worden gebruikt, delen ze dezelfde betekenis (Bedeutung). Frege laat zien hoe woorden, hoewel ze naar hetzelfde verwijzen, verschillende cognitieve inhoud hebben, wat cruciaal is voor taal en kennis. Frege’s ideeën hebben o.a. de denkers Russell en Wittgenstein beïnvloed. 

Ludwig Wittgenstein (1889-1951

Ludwig Wittgenstein. Foto: Moritz Nähr

Wittgenstein wordt eveneens beschouwd als een van de grondleggers van de  analytische taalfilosofie. In zijn vroege werk, de baanbrekende verhandeling ‘Tractatus Logico-Philosophicus’ (1921) wordt op een bijna mathematische wijze de relatie tussen de woorden en de dingen, tussen taal en de wereld uitgewerkt. Hij schrijft in zijn voorwoord dat hij met zijn stellingen wil laten zien dat de filosofische problemen slechts misverstanden zijn over de logica van de taal.
De Tractatus is opgebouwd  uit 525 genummerde stellingen, die zijn onderverdeeld in zeven hoofdstellingen. Wittgenstein geeft geen expliciete argumenten, maar laat het aan de lezer zelf om over het verband tussen de stellingen na te denken. Taal staat centraal en moet een beeld geven van de wereld. Met zijn uitspraak ‘wij maken ons beelden van de feiten’ introduceert hij zijn afbeeldingstheorie van taal.
Het belangrijkste van de Tractatus is de logica. Deze term staat voor een breder filosofisch onderzoek naar de relatie tussen denken, taal en wereld. Hoe hangen deze drie samen? Wittgenstein stelt: een taal waarin je alleen dingen kunt zeggen die waar zijn, bestaat niet. Een onderzoek naar taal is een onderzoek naar denken. Ons denken is door en door talig. Taal als onderzoeksobject is veel concreter dan mentale toestanden. Daarom moeten filosofische problemen worden geherformuleerd in vragen over taal.
De eerste stelling van de Tractatus luidt: ‘De wereld is alles, wat het geval is.’ De laatste stelling luidt: ‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen’ Met deze beroemde uitspraak waarmee hij de Tractatus afsluit, wordt duidelijk dat ethiek en esthetiek (het goede en het schone) buiten de grenzen van de taal vallen. Daarover kan niets gezegd worden. Volgens Wittgenstein kan over ethiek logischerwijs helemaal niets worden gezegd. De reden daarvoor is dat men in de taal niets kan uitdrukken dat ‘niet in de wereld’ is. Ethiek laat zich niet uitspreken als ‘feit in de wereld’. 

Michel Foucault (1926-1984)

Michel Foucault in 1974 in Brazilië
Brazilian National Archives.

Hoewel in het werk van Foucault de taal eveneens centraal staat, belicht hij het vanuit een andere hoek. In zijn boek De woorden en de dingen (1966) stelt Foucault dat een bewering – een taaluiting – niet een weergave van een stand van zaken in de werkelijkheid is, maar de uitkomst van een discours.
En discours is in Foucaults definitie het spreken en denken van een bepaalde groep op een bepaald niveau (politiek, wetenschap, literstuur) waarmee de betreffende groep de werkelijkheid structureert en daarmee impliciet vastlegt wat zij voor waarheid houdt.
In het medische discours bijvoorbeeld zien we hoe het spreken en denken in die discours bepaalt wat ‘normaal’ is en wat ‘abnormaal’ is. In deze zienswijze worden groepen beheerd door abstracte en anonieme regels en concepten. Deze onbewust gehanteerde regels bepalen wat waar is. Alle talige uitdrukkingen zijn onderworpen aan de wetten van de taal en de regels van een bepaalde de sociale orde. Macht speelt daarbij een rol.

John Searle (1932-2025)

John Searle. Foto: FranksValli

In het licht van de ‘lingiustic turn’ tenslotte nog het boek Taalhandelingentheorie (Speech Acts) uit 1969 van John Searle, dat voortbouwt op het gedachtegoed van John Austins boek How to do things with words (1955). Zonder uitvoerig op de details van de classificatie van taaldaden in te gaan, is kort gezegd de idee van deze theorie dat taal niet alleen een gesproken uiting of bewering als een afspiegeling van de stand van zaken in de wereld, maar omgekeerd, dat taal een vorm van handelen is.
Met taal kunnen daden worden verricht. Spreken is een vorm van handelen. Dat taal hierdoor verbonden wordt met een toekomstige stand van zaken en gedrag in de wereld is nieuw. Als voorbeeld voor een taalhandeling noemt Searle: dopen, een eed afleggen, een oorlogsverklaring en de uitspraak  ‘Hierbij verklaar ik u man en vrouw’. 

Tot slot

Zoals gezegd, zijn wetenschap en kunst – in dit geval literatuur –  twee werelden die doorgaans weinig met elkaar van doen hebben. Maar er zijn uitzonderingen. Wetenschap en literatuur zijn beide talige fenomenen en op bepaalde punten onderworpen aan dezelfde mechanismen: regels van interpretatie, communicatie, betekenis, en zo voort.  De argumenten van de waarheidstheorieën en de argumenten van Shelley worden in dit afsluitende deel kort met elkaar vergeleken in het licht van ‘waar, goed en schoon.’

Zintuiglijk waargenomen werkelijkheid

De correspondentietheorie van de waarheid hanteert om te komen tot zuivere kennis alleen ‘het ware’ en wijst uitspraken over ethiek (het goede) en esthetiek (het schone) af. Over deze laatste twee categorieën kunnen geen ware uitspraken worden gedaan. Dit in tegenstelling tot Shelley’s ideeën, waarin het waar, goed en schoon nauw met elkaar verbonden zijn.

Interpretatie

Kant introduceert kort gezegd, met zijn denkkaders, méér dan alleen het zintuiglijk waargenomene (het ware). Met de opvatting van denkkaders, die gedane waarnemingen interpreteren en de structuur van ons denken op de waarneming legt, zet hij de deur open voor ethische en esthetische uitspraken: het goede en het schone. Shelley komt met andere bewoordingen en andere lijnen van betoog tot eenzelfde (meer uitgesproken) conclusie.

Ordening door taal

Het ordenend principe van taal wordt zowel door Shelley alsook door Wittgenstein gehanteerd. Bij Shelley is ordening door taal vooral te vinden in zijn opvatting dat deze in de poëzie verbonden is met de regels van sociale gemeenschappen. Shelley stelt dat de mens vanaf het bestaan van sociale gemeenschappen steeds het besef heeft gehad van een zekere ordening door woorden; alle bewoordingen en verbale uitdrukkingswijzen zijn onderworpen aan de regels waaruit ze voortkomen: de regels van de taal en de regels van sociale orde.
Deze laatstgenoemde opvatting staat lijnrecht tegenover de ideeën van Wittgenstein. In Wittgensteins theorie ligt de ordening door woorden in de logica van de taal zelf. Taal die een afbeelding van de wereld is, als een spiegel van de feiten. De wereld van de niet-feiten (ethische beweringen) vallen buiten de grenzen van zinvolle taal. ‘Waarover men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen.’

Beweringen en de sociale orde

Shelley stelt, zoals gezegd, dat alle bewoordingen en verbale uitdrukkingen onderworpen zijn aan de regels waaruit ze voortkomen; de sociale orde. In deze opvatting lijken de ideeën van Foucault door te schemeren. In Foucaults gedachtegoed zijn woorden niet een weergave van de werkelijkheid, maar de uitkomst van anonieme en abstracte regels die worden gehanteerd in een maatschappelijke groep (discours). Het discours kan in tijd en naar groep verschillen, terwijl Shelley verwijst naar algemene en universele regels.

Taal en handelen

Shelley stelt dat de dichter in poëzie met zijn taalmuziek de lezer ontroert en betovert, waardoor de geest van de lezer zich opent voor de wijsheid die de betovering in zich draagt. Deze betovering door taal geeft de lezer overtuigingskracht waardoor de lezer zich conformeert aan de woorden, die het ijkpunt vormen voor eigen toekomstig handelen.
Deze opvatting heeft raakvlakken met de taalhandelingentheorie van Searle, welke claimt dat woorden toekomstige handelingen kunnen constitueren. Het woord creëert gedrag. Zoals gebeurt bij het verbaal toekennen van rechten, of het uitspreken van een eed. Ook deze zijn ijkpunten voor toekomstig handelen.

Waar, goed en schoon

De meest opmerkelijke tegenstelling is die tussen Shelley en Nietzsche. Shelley’s uitspraak dat een gedicht de uitdrukking is van de eeuwige waarheid, daarin wordt het ware (de eeuwige waarheid) het goede en het schone (het gedicht) onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit uitgangspunt is de essentie van het humanisme en het verlichtingsdenken, waarin menselijke waardigheid en het potentieel van goedheid en rede centraal staan. 

Nietzsche’s  ideeën staan hier diametraal tegenover. Zijn opvatting over het ware, het goede en het schone worden duidelijk in zijn uitspraak hij dat de filosofen verwerpt ‘die dwepen met het goede, het ware en het schone, allerlei bonte, plompe en goedmoedige wenselijkheden in hun vijver door elkaar laten zwemmen. Geluk en deugd zijn geen argumenten voor het zoeken naar waarheid. Bijna niemand zal een theorie als waar beschouwen, louter en alleen omdat zij gelukkig of deugdzaam maakt.’ Verder stelt Nietzsche: ‘Met het zoeken naar de waarheid is het vreemd gesteld; en als de mens dat op een al te menselijke manier doet – hij zoekt het ware om alleen het goede te doen – ik wed dat hij niets vindt.’ Daarmee verwerpt  Nietzsche de argumenten van het humanisme voor het zoeken naar de waarheid. Ethische en esthetische uitspraken vallen daar buiten.

Anders geformuleerd, Shelley’s uitspraak kan begrepen worden, juist vanuit het verlichtingsdenken en het humanisme.  Het is de uitdrukking van een wens, van een ideaal: het verlangen naar de menselijke rede, harmonie en schoonheid in de wereld uitgedrukt in literatuur, met omarming van het ware, het goede en het schone. Hij brengt met zijn ideeën en met het verenigen van waar, goed en schoon, een ode aan de poëzie.
Nietzsche daarentegen brengt een ode aan het denken, om zo tot het ‘ware kennis’ te komen en al wat ‘wenselijk’ is op de weg naar zuivere kennis met zijn hamer te vermorzelen.


Hanneke van Schooten promoveerde op een proefschrift over semiotiek en recht. Ze is jurist en dichter. Haar meest recente bundel is Zeevlam, verschenen in januari 2025 bij AFdH Uitgevers.

Foto Nietzsche