Over Dagboek 7 – portret van een huwelijk
J.J. Voskuil vestigde zijn naam als schrijver met zijn eerste roman Bij nader inzien. Een boek van 1206 pagina’s, uitgegeven in 2 banden door G. A. van Oorschot in 1963. Met zijn gedetailleerde en subtiele beschrijving van de ontwikkeling van een groep studenten in Amsterdam in de jaren na de oorlog (tussen 1946 en 1953) wordt meedogenloos gestreefd naar eerlijkheid tussen de vrienden. Het boek bevat ook prachtige en verfijnde beschrijvingen van de details van gedragingen van ieder personage. Vanwege de stijl, maar ook om de grote omvang van het werk, werd Voskuil wel vergeleken met de Franse schrijver Proust. Hoewel het boek geen succes was in 1963, niet bij critici [1] en niet in de verkoop (het boek eindigde bij De Slegte), kwam het bij de herdruk in 1985 tot een doorbraak met veel lof van recensenten en meerdere herdrukken. De Nederlandse Proust had een naam. Aansluitend op zijn debuut in 1963, schreef Voskuil de roman Binnen de huid. Het werd geweigerd door zijn uitgever, hetgeen leidde tot een breuk tussen Han Voskuil en Geert van Oorschot en een jarenlange schrijversblokkade. Het boek werd postuum uitgegeven in 2009.
door: Hanneke van Schooten
Het Bureau
Zijn vervroegde pensionering in 1987 gaf Voskuil de ruimte om te werken aan de 7 delen van de monumentale romancyclus Het Bureau. De serie werd een groot succes. Al in één van zijn dagboeken (Capitulatie, 1956-1965), speculeert Voskuil over het schrijven van een roman over zijn langdurig werkverband aan het Meertens Instituut. Het moet een verhaal worden ‘over het Bureau, gezien als een gesticht of een gevangenis, maar zo overtuigend dat de lezer ziet dat er geen verschil is.’
Zijn drang om te schrijven verklaart Voskuil in het 1e deel van zijn dagboekenreeks (Bijna een man, 1939-1955). Hij schrijft in een passage, die veelzeggend is, dat hij in de eerste klas van de lagere school zich beklaagt bij zijn moeder dat op school niemand met hem wil spelen. Als zijn moeder stilletjes gaat kijken, blijkt inderdaad dat hij midden op het schoolplein staat, alleen. Hij herinnert zich niet dat hij ooit moeite heeft gedaan, ook niet later in andere situaties, om daar verandering in te brengen. Hij stond vaak alleen, passief en onmachtig tot het aangaan van contacten.
Tijdens een interview met Hanneke Groenteman in studio De Plantage in 1999 verklaarde hij dat zijn gedrevenheid om de pen op te nemen, voor hem een noodzaak is om de wereld en zichzelf te begrijpen. ‘Schrijven moet’, zegt hij, ‘anders was ik waarschijnlijk in de vernieling geraakt.’ Schrijven om de wereld beter te begrijpen. Over de 30 werkzame jaren op het Meertens Instituut zegt hij dat hij zijn ervaring pas begrijpt als hij erover schrijft. ‘Je bent er (op het Meertens Instituut, HvS), terwijl je er niet bent. Dit ‘er zijn’ zie je pas achteraf als je schrijft.’ De uitspraak van Kierkegaard dat het leven vooraf wordt geleefd maar achteraf begrepen, lijkt hier toepasselijk.
Op de vraag van Groenteman of hij Het Bureau heeft geschreven als een afrekening, zoals vaak wordt gesuggereerd, antwoordt hij stellig dat dat niet zo is. ‘Beslist niet.’ Twee jaar later verklaart zijn vrouw Lousje het tegendeel. Tijdens een interview (ook met Groenteman), zegt zij met grote stelligheid dat haar man zich heeft gewroken op zijn 30 jaar werkzame leven, die hij tegen zijn eigen zin, maar vooral ook tegen háár zin doorbracht op het Meertens Instituut. Het was een revanche voor de periode die hij is weggeweest, die 30 jaar lang. Daar voegt ze gedecideerd aan toe: ‘Mijn man heeft een statement van ons leven gemaakt. Hij heeft verantwoording afgelegd.’
Voskuil publiceerde naast Het Bureau meerdere boeken – autoficties – waaronder De buurman en Requiem voor een vriend en Onder andere.
Dagboeken
Naast de 7 delen van Het Bureau zijn nu ook 7 delen Dagboeken van Voskuil verschenen. De dagboeken vormen een zeer persoonlijke kroniek die oorspronkelijk niet voor publicatie bedoeld was. De dagboekteksten zijn aus einem Guss geschreven in de emotie van het moment. Ze vormen het voorwerk en de grondstof voor Het Bureau. Als Voskuil in 1987 met pensioen gaat, begint hij met het uittypen van de meer dan 160 dagboekschriften, in totaal 4200 pagina’s typoscript. Enkele van deze dagboekschriften bewaarde hij in de kluis van het Meertens Instituut. Deze kennelijk specifieke dagboeken lopen vanaf 1983. De boekbezorgers van de dagboeken – Detlev van Heest, Thomas van Grafhorst en Mirjam Lucassen – lichten dit toe in een noot. Zij schrijven: ‘Het lijkt er dus op dat hij zijn aantekeningen (in deze schriften) buiten bereik van zijn vrouw hield. Veertien van deze latere schriften vernietigde hij.’
Zijn dagboeken vertonen weinig een overlap met Het Bureau. Waar in Het Bureau de monoloque intérieur vrijwel ontbreekt, bevatten de dagboeken een rijke gedachtenwereld. In die zin vormen de dagboeken een aanvulling op zijn beroemde magnum opus. Ze geven een verdieping en een inzicht in de wereld van schrijver en denker Voskuil. In de eerste delen van de dagboeken wijdt hij opvallend weinig woorden aan zijn vriendin, zijn latere vrouw Lousje. Ook zijn relaties met andere vrouwen blijven onderbelicht. De bezorgers van de dagboeken laten in een nawoord weten dat Lousje ongeveer 5% uit de tekst van deel 1 (Bijna een man, 1939-1955) heeft weggeknipt. Die missende onderdelen zijn wellicht de passages over Voskuils vroegere vriendin Suze Wiardi Beckman en over Lousje zelf. In deel 2 (Capitulatie, 1956-1965) echter zijn de door haar verwijderde passages met gebruikmaking van de bewaard gebleven dagboekschriften weer toegevoegd.
De dagboeken richten zich tot aan deel 5 vooral op Voskuils werkzaamheden op het Meertens Instituut; congressen, lezingen en de werkverhoudingen met en tussen collega’s. Maar in deel 6 en 7 is er toenemend aandacht voor andere zaken, zoals onder meer Voskuils fiets- en wandeltochten, bezoeken aan vrienden, de bezoeken aan de dementerende moeder van Lousje en de contacten met de twee mannen die in hetzelfde huis wonen (Herengracht 60). Dit homokoppel behoort tot de intimi van Lousje, die altijd opkomt voor de ‘underdogs’ in deze maatschappij. Als er bij een discussie ook maar een zweem van ‘het vertrappen van onderdrukten’ een rol speelt, ontaardt dat onmiddellijk in woede-uitvallen. Rustig overwegen in redelijkheid is er niet bij. Voskuil verlaat dikwijls het huis ‘in een orgie van verwijten’.

Naast het ambtenarenleed, ommetjes door de Amsterdamse binnenstad, vrienden- en familiebezoek, spelen de echtelijke twisten in alle dagboeken een rol. Echter vanaf deel 6 nemen de ruzies tussen Voskuil en zijn vrouw groteske vormen aan. Verbijsterende ruzies ingezet door het extreme claimgedrag van Lousje. Ellenlange drammerige en absurde passages die onbegrijpelijk zijn vanwege het gebrek aan redelijkheid en logica. De aanleidingen zijn ogenschijnlijk nietszeggende voorvallen. Halverwege deel 6 vernemen we plotseling in een voetnoot dat Voskuil sinds 1983 een minnares heeft. De voetnoot beschrijft dit als volgt: ‘Voskuil had sinds begin 1983 een amoureuze relatie met X. X stelde Lousje Voskuil-Haspers hiervan in de loop van 1984 op de hoogte. Voskuils echtgenote veronderstelde dat de relatie hiermee beëindigd was. Niettemin bleven Voskuil en X tot zijn overlijden, buiten medeweten van zijn echtgenote, innig bevriend. In het belang van X is zij in het dagboek geanonimiseerd.’
Deze mededeling valt zomaar ineens uit te lucht en laat de lezer verbijsterd achter. Het feit is vooral onthutsend omdat Voskuil zijn dagboekschriften schrijft met een niets ontziende eerlijkheid. Zijn collega’s, vrienden, vrouw en ook zichzelf fileert hij genadeloos. Maar hij zwijgt over deze affaire. Honderd procent oprechtheid krijgt geen enkele dagboekschrijver voor elkaar. Maar met deze mededeling begint de lezer de radicale eerlijkheid van Voskuil lelijk te wantrouwen. Hebben de ruzies die hij zo minutieus beschrijft met veel uitroeptekens, wellicht een dieperliggende oorzaak? In het nawoord krijgen we te horen dat Voskuil de ruzies nauwgezet bijhield en ze beschreef ze in een lange lijst die in totaal 151 echtelijke twisten omvat. Sommige ruzies vullen een halve pagina, andere zijn 10 pagina’s lang. Denkbaar is dat Voskuil zijn eigen rol in die ruzies sympathieker weergeeft dan die van zijn vrouw. Haar rol komt in zijn dagboeken naar voren als die van een onevenwichtige en agressieve vrouw die alle ratio achter zich heeft gelaten en het leven van haar man tot een hel maakt.
Dagboekdeel 7 – Het Zwijgen
Het laatst deel van de dagboekserie begint precies op de dag van pensionering van Voskuil op 1 juli 1987. Zijn werk op het Meertens Instituut zit erop. Hij zit de hele dag thuis. Voskuil beschrijft de relationele problemen die het huishouden beheersen, waarin ruzies, huilbuien, verwijten en explosieve uitbarstingen voortdurend terugkeren. De wandelingen en fietstochten die hij onderneemt zijn een vlucht uit die benauwende situatie. ‘Als ik mijn fiets uit de trein heb getild voel ik me bevrijd, alsof een last van mijn schouders wordt genomen.’ Eenmaal alleen in de natuur beschrijft hij op fijnzinnige en subtiele wijze zijn ervaringen.
‘Het is stil. Weinig wind, bewolkt en af en toe wat zonlicht. (…) Het water aan de overkant gaat schuil onder een last van weelderig groen. (…) Oude buitenhuizen waarin ik zelf had willen wonen als ik leraar in dit stadje was geworden.(…) Ik ben een outsider op weg van niks naar niks. Vandaag deert me niets.’
Alleen wandelend door Amsterdam overvalt hem soms een geluksgevoel. Lopend langs de Anjelierstraat kijkt hij de
‘(…) lange smalle straat uit tot aan de Lijnbaansgracht. Onder de grauwe lucht zijn de details haarscherp. Overstroomd door een geluksgevoel waarvan de oorzaak me ontgaat, houd ik even de pas in.’
Ook in zijn dagboeknotities van deel 7 portretteert hij zijn vrouw Lousje, zoals hierboven aangegeven, als een emotioneel ontregelde en onhandelbare echtgenote. Zij zit Voskuil op zijn huid, ieder moment dat hij thuis is. Zij schrijft hem voor wat hij moet doen, waar hij moet gaan zitten, hoe hij het ontbijt moet klaarmaken en als hij dat anders doet dan zij, leidt dat weer tot een daverende ruzie. Ze stoort hem in zijn schrijfwerk, eist onmiddellijke actie als hij zit te lezen. En als hij niet meteen doet wat zij eist, dan moet hij maar opdonderen. ‘Donder op! Mijn huis uit! Ik accepteer het niet! Mijn huis uit!’
Kon hij tijdens zijn werkzame leven nog naar het Meertens Instituut ‘vluchten’ (‘Daar was ik tenslotte ‘alleen’,’ schrijft hij) en omgekeerd kon hij van zijn werk weer naar huis vluchten om daar bij te komen. Nu zit hij thuis gevangen in een wereld die door zijn vrouw wordt gedomineerd. Hij trekt zich in zijn dagboek terug, een toevluchtsoord dat hem uiteindelijk uit handen dreigt te worden geslagen door zijn vrouw, die hem verwijt dat hij meer van zijn dagboek houdt dan van haar. Tijdens ruzies probeert hij de woordenwisseling af te breken.
‘Als je me nou eens gewoon met rust laat’, zeg ik. Dat kan ze niet. Ze gaat nog een tijdlang door. (…) Terwijl L. de verwijten op elkaar stapelt en van geen ophouden weet, denk ik: houd in godsnaam op want straks moet ik het allemaal opschrijven. (…) Grote weerzin. Maar achteraf voel ik me altijd opgelucht. Alsof ik een noodzakelijk werk heb verricht en het leven weer voor me open ligt. Merkwaardig.’
Voskuils beschrijvingen zijn scherp en hard. In de geschetste beelden fileert hij de ruziesituaties tot op het bot. Zijn vrouw met haar emotionele uitbarstingen. Hijzelf komt als een toegeeflijke sukkel naar voren; een goedzak die zich onhandig verdedigt en uiteindelijk zwijgt onder een tirade van verwijten.
‘Na zoveel verbaal geweld laat ze me verwond achter. (…) Ik zou zelfs haar woede kunnen begrijpen, maar niet dat ze zich na zoveel jaren nog altijd tegen mij richt. Zonder enige ruimte, zonder een poging mij te begrijpen. Ze houdt niet van me, denk ik. En nu ik mijn oude dagboeken overtik, weet ik dat ze nooit van me gehouden heeft.’
‘Ik ben hier de baas!’
In een voetnoot bij deze passage staat dat Voskuil in zijn dagboekschrift deze laatste zin heeft doorgehaald. Ook heeft hij het woord ‘verwond’ vervangen door ‘verslagen’. Gelet op de inkt heeft hij dit op een later tijdstip gedaan.
Naast de nauwgezet genoteerde echtelijke twisten zijn er ook momenten van intimiteit en vrede. Echter het feit dat Lousje hem geen enkele ruimte laat is de kern van zijn klacht. Haar in woede geuite zin: ‘Ik ben hier de baas!’ komt veelvuldig voor. Bovendien moet alles beoordeeld worden naar háár inzicht en ideeën.
‘Ik bepaal hier wat goed is! Ze slaat met beide handen hard op het bureau. En jij niet! Ze pakt de prullemand op en smijt die met kracht naar bed. Ik til mijn been op en weet hem nog net af te weren.’ (…) ‘L. wil oordelen. Bij het formuleren van die oordelen is zij de maat van alle dingen. Wat daarvan afwijkt wordt veroordeeld. Ik word veroordeeld.’
Voskuils vriendinnen, schrijfsters of vrouwelijke collega’s waarmee hij contact heeft, worden door Lousje beoordeeld om het gevaar dat ze vormen de aandacht van Voskuil naar zich toe te trekken. Aandacht die ze voor zichzelf opeist. Als Hanny Michaelis op bezoek komt, stelt Lousje vast dat Michaelis ‘een veel te vrouwelijke vrouw’ is. Een discussie tijdens haar bezoek handelt onder andere over Joden en homo’s. Hanny Michaelis heeft een Joodse achtergrond en was van 1948 tot 1959 getrouwd met Gerard van het Reve. Als Michaelis zegt dat homo’s nu eenmaal niet de moedigste mensen zijn, is dat een opmerking die Lousje onwelgevallig is. Zij maakt ervan ‘Homo’s zijn laf’. Lousje veroordeelt Michaelis. ‘Wat een vreselijk mens’, zegt ze. ‘Zo’n onbetrouwbaar gezicht. (…) Mensen als Hanny hebben de gaskamers gebouwd.’ Over deze antisemitische uitspraak schrijven de boekbezorgers in een voetnoot fijntjes: ‘De ouders van Hanny Michaelis werden op 26 maart 1943 in Sobibor vergast.’
Naast de onverdraaglijke ruzies noteert Voskuil 70 keer dat Lousje ‘begint te huilen’, ‘harder gaat huilen’, ‘nog steeds huilt’, ‘dat hij haar hoort huilen in de keuken’. Op 2 september 1987 noteert hij
‘Ik besluit te gaan fietsen. Het maakt haar verdrietig. Vroeger deden we alles samen, maar nu ze Russisch doet, kan dat niet meer. En zij is Russisch gaan doen omdat ik hele dagen ging werken. Dus is het mijn schuld. Als ik de deur uit ga, ligt ze languit op haar rug, poedelnaakt, op de grond in de slaapkamer te huilen. (…) Haar verdriet is een lek in mijn wereld.’
Met regelmaat vraagt Lousje haar man: ‘Wat ben je stil. Is er iets?’ of ‘Ben je boos? Je zegt niet veel.’ of ‘Ben je uit je humeur?’ en zo voort. Voskuil raakt daardoor geïrriteerd. Vooral ook als hij gedwongen wordt zijn excuses aan te bieden na een ruzie of als ze van hem eist toe te geven dat het onzin is wat hij zegt. Moe van alle gekijf en onredelijkheid schrijft hij ‘L’enfer c’est l’autre.’ Hij stelt vast dat het gedrag van Lousje, haar boosheid en agressie ongetwijfeld
‘… onbewust censuur uitoefent. Dat kan een reden zijn om de tekst te zuiveren, maar ook om haar aan te dikken. Ik zal het dus niet voorlezen, alleen overlezen.’
Tot slot
Het zevende en laatste deel van Voskuils dagboeken Het Zwijgen toont een complexe verhouding tussen Voskuil en zijn echtgenote Lousje, waarbij recensenten naast de momenten van intimiteit en vrede, vooral de scherpte en soms harde oordelen van Voskuil benadrukken. Dit heeft tot een controverse geleid. Voskuil beschreef zijn vrouw soms scherp en negatief. Daarbij rijst de vraag of Voskuil de portretten van zijn vrouw naar waarheid schetste.
Recensente Elsbeth Etty is niet te spreken over de bezorgers van de dagboeken. Zij schreef in De Groene Amsterdammer dat sommige voetnoten in de dagboeken geen bronvermelding hebben. Dat betreft met name Voskuils buitenechtelijke relatie met de geanonimiseerde mevrouw X en Voskuils besluit tot euthanasie in 2008, vanwege ziekte en ‘de onmogelijkheid zijn geliefde nog te ontmoeten.’ Ook wees Etty op passages, waarin Lousje als een ‘zwaar gestoord patiënt’ wordt weergegeven. Zij stelt dat de dagboekbezorgers daar in hun annotatie op in zijn gegaan, keuzes hebben gemaakt over wat werd opgenomen en toegelicht. Hetgeen leidde tot een aanvullende context maar ook tot discussie over de interpretatie van Lousjes rol en de vermeende invloed die zij op Voskuils leven had. Etty schrijft: ‘Alles wijst er op dat Mirjam Lucassen X is, dat zij de schimmige informatie over de vermeende buitenechtelijke relatie van Voskuil verschafte. Sinds enkele jaren is Lucassen medebezorger van de dagboeken, wat ertoe leidde dat in een van de dagboeken een tot haar gerichte brief aan de oorspronkelijke tekst werd toegevoegd. Wie voor dergelijke ingrepen toestemming heeft gegeven is onbekend. De bijna 100-jarige Lousje is dement en heeft geen zeggenschap meer over de literaire nalatenschap.’
Detlev van Heest reageerde naar aanleiding van die kritiek op de website Hof van Jan (omdat De Groene Amsterdammer zijn reactie niet wilde plaatsen wegens ruimtegebrek). Hij deed Etty’s kritiek af als ‘rancuneus’.
Hoewel het zevende dagboek soms als een klaaglied overkomt, biedt het een diepgaand inzicht in Voskuils psychologie en de dynamiek in zijn huwelijk. Bij al die duizenden pagina’s van zijn werk zou een conclusie kunnen zijn dat Voskuil een schrijver is die niet kort en bondig kan schrijven. Het tegendeel is waar. Voskuil schrijft vrij strak. Het enige is dat hij werkelijk álles opschrijft. Complete dialogen met veel herhalingen bij voorbeeld, die evengoed hadden kunnen worden samen gevat. Voskuil is een schrijver die met microscopische precisie de dagelijkse werkelijkheid vastlegt. Dagboek 7 eindigt op 1 april 1989 en kent nog enkele notities op 26 april 2001 en tussen 18 september en 4 oktober 2006, waarin het echtpaar niet bepaald als eensgezind naar voren komt. Voskuil sterft op 1 mei 2008.
In een nawoord schrijven de boekbezorgers dat de door Lousje Voskuil-Haspers uit het typoscript weggeknipte stukken voor de periode van Het zwijgen waar mogelijk werden hersteld met behulp van de bewaarde dagboekschriften. In 1985 noteerde Voskuil ‘Dagboekschrijven is een ziekte’. De heftige confrontaties tussen Voskuil en zijn vrouw zijn ontluisterend. Zijn boeken zijn, zoals Lousje het ooit trots verwoordde, ‘een statement van ons leven’. Een statement als een afgelegde verantwoording. Maar dat dit zou bestaan uit portretten van haar als een emotioneel ontregelde en bijna onhandelbare vrouw, heeft zij niet kunnen voorzien. Om nog maar te zwijgen over de liefdesrelatie die Voskuil 43 jaar buiten medeweten van zijn vrouw onderhield. Dat Voskuil zich niet tegen Lousjes labiele gedrag kon wapenen, vooruit. Maar waarom hij nooit heeft kunnen of willen ontsnappen aan zo’n giftig huwelijk, blijft vaag. Misschien kan X daarover een boekje open doen.
[1]‘ Geen enkel schrijverstalent’ (Stroman in het Algemeen Handelsblad), ‘Zijn volledigheidsmanie is een curiositeit die bij de beschrijving geen enkele artistieke waarde heeft.’ (Kossmann in Het Vrije Volk), ‘Ongewoon en intrigerend schrijverschap, maar de schrijver vertilt zich aan Musil.’ (Morriën in Het Parool).

Het Zwijgen
Dagboeken 1987 – 2006
J.J. Voskuil
Uitgeverij Van Oorschot
afbeelding header: J.J. Voskuil / Wikimedia Common