De dichter en de democratie
In de loop van de eeuwen hebben filosofen hun ideale staat beschreven en daarmee een bijdrage geleverd aan het ontstaan van de huidige democratie. De verschillende manieren waarop democratie vorm kan worden gegeven – direct door het volk of via vertegenwoordiging – zijn te vinden bij onder andere de politieke filosofen Rousseau en Mill. Maar zelden horen we dat dichters met hun poëzie een bijdrage leveren aan het ontstaan van een nieuwe democratische samenleving. Een uitzondering vormt de poëzie van de Amerikaanse dichter Walt Whitman. Zijn werk heeft grote invloed gehad op de Amerikaanse samenleving, aan het begin van de 20e eeuw.
Whitman lijkt een helder voorbeeld van wat Percy Bysshe Shelley al in 1821 beweerde: ‘Dichters zijn de niet erkende wetgevers van de wereld.’
De poëzie van Whitman en de democratie staan in dit essay centraal, voorafgegaan door de filosofische opvattingen van Rousseau en Mill.
door Hanneke van Schooten
Rousseau
Jean Jacques Rousseau beschrijft zijn ideeënvorming over de ideale staat in zijn boek Du Contrat Social (1762). Daarin stelt hij dat een volk dient te worden geregeerd ‘door allen, voor allen’. Van vertegenwoordiging is geen sprake. Deze democratische opvatting ontstond ten tijde van alleenheersers. Europese staten werden in deze periode geregeerd door autocraten die de volledige macht hadden, geen overleg voerden en geen tegenspraak duldden.
Rousseau’s idee spreekt tot de verbeelding, maar stuit op praktische bezwaren. Hoe kunnen alle inwoners van een staat tezamen, ieder in persoon, dus zonder vertegenwoordiging, beslissingen nemen? In een natuurstaat lijkt een dergelijke vorm van gezamenlijke beslissingen op kleine schaal nog te werken. In grote en complexe staten is een dergelijke vorm van democratie niet goed uitvoerbaar. Het referendum komt misschien het dichtst in de buurt van deze zienswijze.
Rousseau stelt dat het collectief lichaam van alle individuen tezamen een gemeenschappelijk ik is. Deze algemene wil kan zichzelf geen onrecht aandoen. Het gemeenschappelijke belang is daarmee een daad van soevereiniteit die alle burgers op gelijke wijze verplicht of begunstigt. Rousseau werd met zijn ideeën wel de stormvogel van de Franse Revolutie genoemd – de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap – de opstand tegen de tirannen met onbegrensde macht.
Mill
Anders dan Rouseau, waarbij van vertegenwoordiging geen sprake is, zijn de ideeën van John Stuart Mill. Zijn ideale democratie is beschreven in On Liberty (1859). Daarin speelt representatie expliciet een rol. Mill was voor het algemeen kiesrecht, ook voor vrouwen. De gekozenen vertegenwoordigen het volk dat zij besturen. Er zijn evenwel beperkingen aan deze overdracht van macht. Voorwaarde is dat minderheden moeten worden beschermd tegen de meerderheid. Het individu, als allerkleinste minderheid, moet in zijn afwijkende opvattingen en vrijheden worden gerespecteerd. Alleen op deze wijze kan de starheid van de ‘diepe slaap van de gevestigde mening’ van de meerderheid worden doorbroken en kan een ontwikkelingsproces op gang komen, dat de vooruitgang stimuleert. Ook als de uitoefening van vrijheid van de één, de vrijheid van de ander schaadt, mogen beperkingen worden opgelegd: het schadebeginsel.
Deze verschillende opvattingen van Rousseau en Mill over democratie staan in schril contrast met de ideeën van Plato, die in zijn boek Politeia (380 v.Chr.) zijn vastgelegd. Plato laat zich kritisch uit over een democratie als staatsvorm waarin allen deelnemen. Hij stelt dat het besturen van een staat is als het besturen van een schip. ‘Het schip van staat’ moet geleid worden door mensen met vakmanschap. Het besturen moet men overlaten aan experts. Plato’s ideeën over democratie wogen persoonlijk zwaar. Immers, zijn leermeester Aristoteles werd ter dood veroordeeld door een democratische meerderheid in de stadstaat Athene.
De dichter en de democratie; Walt Whitman
Na deze filosofische opvattingen van denkers over vormen van een democratische rechtsstaat, nu de vraag in hoeverre dichters invloed kunnen uitoefenen op de politieke vormgeving van een democratie. Hoe kon een dichter met zijn poëzie een samenleving in democratisch opzicht beïnvloeden en teweegbrengen? Aan de dichter Walt Whitman wordt een dergelijk vermogen toegeschreven. Whitman’s poëziebundel Leaves of Grass (1e editie 1855) speelde in democratievorming een essentiële rol in de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw. De bundel werd in Amerika positief ontvangen.
De essayist en dichter Ralph Waldo Emerson (1803-1882), een van de invloedrijkste denkers van Amerika, schreef dat de poëziebundel Leaves of Grass tot de kroonjuwelen van de Amerikaanse literatuur behoort. Hij noemde deze ‘the most extraordinary piece of wit and wisdom that America has yet contributed.’
Volgens Emerson is de ware dichter een soort visionair, die waarheden en omstandigheden treffend onder woorden kan brengen, voordat ze voor zijn tijdgenoten evident worden. De dichter is ‘a beholder of ideas, and utterer of the necessary and causal.’ Poëzie is niet louter lyriek. ‘For it is not metres, but a metre-making argument that makes a poem.’ (cursivering HvS). De inhoud domineert over de vorm. Het thema dat Emerson voor ogen stond was de democratische staatsvorm in Amerika. Uit het ruwe materiaal van de nieuwe wereld en de nieuwe democratische samenleving moest een nieuwe poëzie opstaan en een poëtische voorstelling van Amerika worden geconstrueerd. Dat met deze uitspraak hem de poëzie van Whitman hem voor ogen stond, is evident.

Emerson’s opvatting dat dichters visionair zijn en hun woorden de functie hebben om daden in de wereld tot stand te brengen, kortom dat met taal – hier poëzie – een werkelijkheid kan worden geconstrueerd, is in overeenstemming met de taaltheorie van John Austin (How to do things with words 1955) en van John Searle. (Speech Acts, 1969).
Zonder uitvoerig in te gaan op de details van deze theorieën, is kort gezegd de idee dat taal niet alleen een uitgesproken bewering is als een afspiegeling van de stand van zaken in de wereld, maar omgekeerd, dat taal een vorm van handelen is. Dat met taal daden kunnen worden verricht. Hoewel Austin stelde dat er bij bepaalde vormen van taalgebruik geen sprake hoeft te zijn van een standaard effectieve daad in de werkelijkheid – zoals ‘Walt Whitman, de adelaar van de vrijheid, niet serieus aanzet tot de vlucht.’ – is Whitman’s invloed op de nieuwe Amerikaanse democratie onmiskenbaar.
Leaves of Grass
In Nederland was de poëzie van Whitman minder bekend. Pas in 2005 verscheen de vertaling van de poëziebundel, getiteld Grasbladen. De bundel werd vertaald door 22 dichters; vertalingen die niet altijd in de geest van Whitman zijn. Zo vertaalde Anne Vegter ‘For me not the sweetheart and the old maid’ in ‘Geef mij maar het huppelkutje of de dichtgenaaide spleet’.
De recensies waren niet juichend. Rob Schouten vroeg zich af (in Trouw), of Nederland wel zat te wachten op deze bundel van de ‘megalomane, ronkende, zichzelf bezingende Amerikaanse oerdichter’, die zijn ‘rauwe, ongelikte en in zekere zin primitieve emoties’ ondoordacht op papier smeet. Het was volgens hem poëzie voor ‘poëtische ontwikkelingslanden.’
Ilja Leonard Pfeijffer vond Whitman ronduit een slechte dichter. Hij verweet Whitman gebrek aan techniek, hij is ‘een deerniswekkende amateur zonder enig raffinement.’ Deze kritiek is onterecht. Whitman is zijn hele leven blijven schaven aan Leaves of Grass. Er zijn maar liefst vijf herziene edities van de bundel uitgebracht.
Van poëzie naar democratie
Een belangrijke basis voor democratie is het gelijkheidsbeginsel. Alle burgers zijn voor de wet gelijk. In Nederland is dit vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet. In de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (de scheiding van Groot-Brittannië in 1776) luidt dit grondrecht: ‘All men are created equal.’
Hierin klinken de ideeën van enkele van de hierboven beschreven politieke theorieën door. De idealen van de Franse Revolutie – vrijheid, gelijkheid en broederschap – hebben ook een echo in de poëzie van Walt Whitman. In het bijzonder in het gedicht Song of Myself uit de bundel Leaves of Grass. Het gedicht begint met een introductie van de dichter zelf: ‘Walt Whitman, an American, one of the roughs, a kosmos’. Het is een democratisch epos, waardoorheen de stemmen klinken van prostituees, slaven, dieven en dwergen, overledenen en wanhopigen, en de rechten van hen op wie wordt neergekeken. In zijn gedicht formuleert hij het als volgt.
I speak the password primeval … I give the sign of democracy;
By God! I will accept nothing that all cannot have their counterpart of the same terms.
Through me many long dumb voices,Voices of the interminable generations of slaves,
Voices of prostitutes and deformed persons,
Voices of deceased and despairing, and of thieves and dwarfs,
Voices of cycles of preparation and accretion,
And of threads that connect the stars – and of wombs, and the fatherstuff,
And of the rights of them the others are down upon,
Of the trivial and flat and foolish and despised,
Of fog in the air and beetles rolling balls of dung.
Through me forbidden voices,
Voices of sexes and lust… Voices veiled, and I remove the veil,
Voices indecent by me clarified and transfigured.
Whitman vertolkt in dit gedicht jong en oud, zieken en gezonden, rijk en arm en alle werklui ‘the butcher boy’, ‘the bootsmen’, ‘blacksmiths’ en ‘the spinning girl’. Om maar enkele van de burgers te noemen. Hij geeft een teken van democratie, stelt hij, en verplaatst zich volledig in het perspectief van de ander. ‘I am large… I contain multitudes’, zoals hij het verwoordt.
Wonderlijk genoeg is deze meerstemmigheid in één persoon ook terug te vinden bij Virginia Woolf. In haar roman The Waves – een poëtische tekst in proza – laat Woolf zes personages aan het woord in de vorm van zes monologen, waarvan zij tegelijkertijd ook zegt: ik ben zelf die zes stemmen tegelijk. Ook bij Woolf bepaalt de inhoud de vorm. Haar ‘metre – making argument’ toont ons echter niet – zoals bij Whitman – de verbinding van allen met allen in een democratische eenheid, maar juist omgekeerd, het isolement en het pijnlijke gebrek aan wederkerigheid en afwezigheid van verbinding tussen mensen. Terwijl de woorden in Woolfs roman eerder een afspiegeling zijn van de bestaande werkelijkheid, is Whitmans poëzie een wervende oproep tot constructie van de werkelijkheid. Een taaldaad in de zin van Searle en Austin.
(tekst gaat door onder de illustratie)

In de meerstemmigheid van Whitman heeft ieder zijn plaats; geen eenvormigheid, maar een majestueuze mengelmoes, waarvan ieder deel uitmaakt. Song of Myself is een caleidoscoop van een nieuwe samenleving in al zijn diversiteit. Het wervende beeld van een democratische samenleving en democratisch burgerschap dat Whitman opriep, was invloedrijk in Amerika eind 19e en begin 20e eeuw.
Whitman werkt zijn visie nader uit in zijn essay Democratic Vistas (1871).
Hij gaat nader in op de vraag welke rol gedichten, literatuur en kunst spelen in het Amerika van zijn tijd. Daarbij stelt hij dat literatuur niets minder moet brengen dan een revolutie in het bewustzijn van het Amerikaanse volk. Democratie is niet zozeer een regeringsvorm, maar een middel om burgers te inspireren en tot intellectuele bloei te laten komen. Poëzie kan helpen om het geheel van gewoontes en gebruiken te veranderen. Whitmans democratische ideeën hadden, zoals gezegd, hun invloed vooral tijdens de optimistische hervormingsperiode op het Amerika in het begin van de 20e eeuw. Zijn zienswijze is te vinden onder meer in de New Deal in de jaren dertig, de burgerrechtenbeweging en counterculture in de jaren vijftig en zestig. In de huidige tijd is Amerika allengs van dit ideaal verwijderd geraakt.
Tot slot
Whitmans democratie bestaat uit een gemeenschap van gelijken, hoezeer ze ook van elkaar verschillen. Het is een verbond zonder hiërarchie. Uiteraard schoot de werkelijkheid ernstig tekort bij het beeld dat hij opriep. Whitman’s Song of Myself is niet alleen een gedicht dat de Nieuwe Wereld beschrijft, maar een gedicht dat de Nieuwe Wereld probeerde te maken. Dat met woorden een nieuwe wereld kan worden geconstrueerd wordt in de theorie van taaldaden verwoord. Al krijgt zo’n taaldaad niet meteen een volledig effect in de wereld, zoals Austin terecht stelde, maar de invloed van die woorden op de Amerikaanse staatsvorm is in het geval van Whitmans Song of myself onmiskenbaar. In vergelijking met de ideeën van Rousseau, staat ook bij Whitman de ‘gelijkheid’ voorop: gelijkheid in verscheidenheid. Een gelijkheid waarvan iedereen deel uit maakt, ook de minderheden. Wat dat laatste betreft komt de geschetste democratie dicht in de buurt van de ideeën van Mill, waarin minderheden, ook het allerkleinste onderdeel – het ‘ik’ – met zijn afwijkende opvatting gekoesterd en beschermd moet worden. Omdat het de mogelijkheid opent om ‘de diepe slaap van de gevestigde mening’ te doorbreken.
Deze dynamiek is ook bij Whitman te vinden. In zijn idealistische eenheid van de democratie moet juist de verscheidenheid – het anders zijn – gerespecteerd worden. Terugkerend naar de woorden van de Engelse dichter Shelley: ‘Dichters zijn de niet erkende wetgevers van de wereld’, lijkt deze uitspraak opvallend in overeenstemming te zijn met de poëzie van Whitman: poëzie die tot een democratische samenleving oproept en bijdraagt aan de staatsrechtelijke vormgeving van staten.
Beeld in de header: omslag Walt Whitman’s poetry by Edmond Gore Alexander Holmes 1850-1936 – Wikimedia Commons