May you not rest as long as I am living
door Geke Mateboer
‘Het is een hele lange, saaie, donkere film’
‘Er schijnt heel veel seks in te zitten’
‘Dat is raar, want in het boek wordt niet over seks gerept’
Dialoogje tussen twee vrouwen in de lobby van het filmhuis, voorafgaand aan het kijken naar “Wuthering Heights” van regisseur Emerald Fennel, starring Margot Robbie als Catherine Earnshaw en Jacob Elordi als Heathcliff. Acht vrouwen zitten er deze woensdagmiddag in een verder lege zaal. Ik ben onbevooroordeeld en heb alleen Fennels’ eigen woorden meegenomen om me te harnassen tegen teleurstellingen: ‘Ik wilde iets maken dat me hetzelfde gevoel gaf als toen ik het voor het eerst las, wat betekent dat het een emotionele reactie is op iets. Het is, zeg maar, primair, seksueel.’
De opening is intrigerend, een duister geluid van krik-krak dat steeds sneller gaat; even denk je dat Cathy en Heathcliff nú al aan het paren geslagen zijn, maar nee, het is het geluid van een aan de galg bungelend slachtoffer en dan bevinden we ons onder het negentiende-eeuwse publiek dat op een dorpsplein geniet van zo’n verzetje, vooral om die stijve van de gehangene. De daaropvolgende kennismaking met de jonge Cathy – samen met huishoudster Nelly Dean in het publiek – zet meteen de toon: hier hebben we te maken met een akelig verwend, aanstellerig nest, met een pruillip en op effect beluste tranen. Vader Earnshaw weet daar wel raad mede. Er op rossen. Dat doet hij ook met Heathcliff, de wees die hij op een avond mee naar huis heeft genomen, hem flink toetakelen met de riem – de donkere jongen is tenslotte niet meer dan een servant die z’n plek moet weten, en voor Catherine minder dan een huisdier waarmee je spelen kunt.
Het is toch meest bitter lijden, twee en een halfuur lang, omdat Fennel en ik zulke totaal verschillende gewaarwordingen hadden bij de eerste lezing van Emily Brontës weergaloze roman, en we kennelijk zulke uiteenlopende emoties ondergingen. Mijn Woeste Hoogte – in de vertaling van de onvolprezen Frans Kellendonk uit 2009 – was een schatkamer van lagen, van liefde en wraak, leugens en gruwelen, hekserij en leven na de dood, mystiek, rauwe, bijtende eenzaamheid en stormwinden over de heide. Alleen Anjet Daanje kon met Het lied van de ooievaar en de dromedaris daarbij in de buurt komen.
Fennel komt met heel andere koek, voor momenten voelt “Wuthering Heights” (let op de aanhalingstekens die bewust worden gebruikt) als een Netflix kostuumdrama van Bridgertonachtig allooi, vette kitsch. Zucht. Met Cathy als manipulerende influencer avant la lettre, zo’n typ dat maar wat graag ‘echte liefde’ verruilt voor een walking closet gevuld met opzichtige jurken die haar vooral op een grote kersenbonbon doen lijken, afgetopt met goedkope nep-sierraden. En Heathcliff als een soort lamme Jezusfiguur met gewelddadige trekjes, die er maar niet in slaagt ook maar een klein beetje te lijken op mijn eigen, verwilderde, woest aantrekkelijke Heathcliff. Het beroerdst komt de goede christenziel, knecht Joseph, er vanaf (in het boek geeft Kellendonk hem dat onvergetelijk dialect: ‘Eerdoags kriegen we de liekschouwer bij ons thuus’), in de film plaatst Fennel de beste man in een sadomasochistische scene met de keukenmeid, compleet met paardentuig en zweep. Shockerend? Eerder deerniswekkend, maar Cathy raakt er wel opgewonden van en slaat achter een rotsblok hevig aan het masturberen. Gelukkig is Heathcliff in de buurt. De vrijpartijen volgen elkaar dan snel op,: H & C in de koets, H & C in de beek, in de boom, op de hei. En dat terwijl Emily Brontë niet eens répte over een zoen, laat staan over geslachtsverkeer.
Nee, dit is te kort door de bocht. Er valt toch heel veel meer te zien en te genieten in Fennels hoe dan ook dappere productie. De landschappen, de weelderig artistieke inrichting van Thrushcross Grange, het landgoed van de heer Lockwood, met wie Catherine trouwt ondanks haar crush voor Heathcliff (‘He’s a servant, he will ruin your prospects’ zegt vader immers). Overgestileerd misschien, maar de brandweerrode wanden, de helrood glanzende vloeren, die magnifieke haard van honderden witte gipsen handjes, zijn bloedmooi. De slijmerige trage slak, het erotische van deeg kneden, de vis in aspic, het legioen bloedzuigers – het kleine beetje gothic dat je graag wilt zien. De esthetische bergen lege drankflessen waartussen vader Earnshaw zijn laatste adem uitblaast. De kostuums (van Jacqueline Durran) zijn allesbehalve historisch accuraat – maar lakleer, een metalig oplichtende zwarte japon, de enorm uitwaaierende witte gazen trouwjurk waarmee Cathy over de heide zwalkt – ja hoor, dan denk je toch: de onvergetelijke nalatenschap van Kate Bushs: Heathcliff, it’s me, I’m Cathy, I’ve come home, I’m so cold, let me in your window. En tenslotte maakt de muziek veel goed: Charli XCX componeerde het volledige soundtrack-album voor de film, Anthony Willis maakte de mooie traditionele liedjes.
‘Ik von d’r niks an’ moppert de ene vrouw uit de lobby, terwijl ze hoekig haar sjaal om wikkelt. De andere vrouw zwijgt.