Waar te beginnen in het oeuvre van Nobelprijswinnaar Jon Fosse?
‘Dan is Een schitterend wit misschien een opstapje, hoewel, een opstapje waar je meteen weer duizelig van afdondert.’
door Geke Mateboer
In beschrijvingen van het werk van Jon Fosse wordt vaak gesproken over het meanderend taalgebruik – men praat elkaar zo graag na – maar in mijn beleving zijn het minder meanders dan wel golven, telkens komen en gaan dezelfde golven, maar toch brengt elke golf weer nét iets nieuws met zich mee, iets anders, dat zich terugtrekt om vervolgens weer een poging te doen, met opnieuw een klein verschil, maar wat, en met welk doel, je zult er nooit achter komen, ook al blijf je tot je dood aan het strand zitten kijken.
Literatuur moet iets zijn dat een verandering in je teweeg brengt, een boek moet je veranderen, al is het maar voor een moment, een fractie van een seconde, dat het je aanraakt en verandert. Jon Fosse heeft mij bewuster gemaakt van mijn manier van denken, mij laten stilstaan bij wat ik denk en hoe ik dat doe, door gedachten vaker te registreren en te proberen ze te herleiden; wat dénk ik nu, waar komt die gedachte vandaan, hoe kwam ik er op en waardoor. En dan tot de ontdekking komen dat het meeste wat je denkt niet meer dan baarlijke nonsens is, een nauwelijks herleidbare warboel, die je nooit los kunt zien van wat je ziet en beleeft, die ondanks dat hun eigen weg gaan, onnavolgbaar, onvoorspelbaar. Het is, kortom, een gekkenhuis onder het schedeldak.
Hoe kóm je er op. Hoe werkt het? Het is niet voor niets dat mensen soms proberen hun gedachten stop te zetten, om met meditatietechnieken een woordeloze stilte in het hoofd te bereiken. Lang duurt zo’n toestand nooit, mijn pogingen geef ik in elk geval na tien seconden op, ook omdat het veel interessanter is te denken, dan om niet te denken.
Jon Fosse schrijft een beetje zoals je denkt, onophoudelijk, zonder punten, alleen maar komma’s, zinnen als golven van gedachten, die niet nieuw zijn, maar telkens weer een beetje gewijzigd – zwaarder, sterker, of juist zwakker, afnemend – op je af rollen, en het gaat maar door, en door, tot het einde van het boek.
… en zoals het altijd was geweest, denkt ze bij zichzelf, en ze kan toch niet gewoon zo blijven liggen, denkt ze, want ze moet opstaan, ze moet iets doen, ze kan hier niet zomaar op de bank blijven liggen, denkt ze bij zichzelf en ze ziet zichzelf in de kamer staan en afwezig voor zich uit staren en dan ziet ze zichzelf naar de gangdeur lopen en ze ziet zichzelf de deurklink vastpakken en ze ziet zichzelf daar staan met haar hand op de deurklink en ze vraagt zich af, terwijl ze de deurklink vasthoudt, waarom hij niet komt, en altijd weer dat eeuwige wachten, maar hij blijft zolang weg, kan hij niet gauw komen, denkt ze en ze laat de deurklink los en ze ziet, terwijl ze daar op de bank ligt, zichzelf weer naar het raam lopen…
[uit: Ales bij het vuur, 2004, vertaling Sofie Maertens en Michiel Vanhee]

Het is lastig om het werk van Fosse samen te vatten, het is een leeservaring die draait om essentiële dingen; leven, dood, liefde, het goddelijke, mystiek, vriendschap. En: het steeds verder afpellen van een zogenaamde identiteit, een naam, een loopbaan, kunstenaarschap, en wat er dán gebeurt, wat daar achter vandaan komt, wat er overblijft als de uiterlijkheden het afleggen. Zoals de leegte waarin de kunstschilder Asle opgaat wanneer hij uiteindelijk ophoudt met schilderen in Septologie VI-VII, Een nieuwe naam. Vraag mij niet wat er gebeurt, ik kan het verhaal niet navertellen, maar ik zal van mijn leven niet het schilderij vergeten dat Asle als laatste maakte, het Andreaskruis van de twee lila strepen, ik heb dat schilderij écht gezien en het zal altijd bij me blijven, ook al bestaat het niet.
Er wordt gezegd dat, wanneer je het werk van Jon Fosse wilt gaan verkennen, je het beste kunt beginnen bij Een schitterend wit – de novelle van 80 pagina’s uit 2023. Dat is precies wat ik deed nadat die Nobelprijs en die Fosse mij begonnen te fascineren; die novelle lezen. En dat is een goed idee, voordat je aan Melancholie I begint, of je je verslikt in zijn driedelig meesterstuk en magnum opus Septologie – dat kan, als je je nog niet eerder in zijn werk hebt verdiept hebt, waarachtig een opgave zijn.
Dan is Een schitterend wit misschien een opstapje, hoewel, een opstapje waar je meteen weer duizelig van afdondert, want je maakt kennis met iets totaal nieuws, iets dat je lezenderwijs nog niet eerder hebt beleefd. Het verhaal van de eenzame man, die in een donker, koud, besneeuwd bos de weg kwijtraakt en steeds verder van huis afdwaalt, steeds verder weg, voorbij een grens tussen leven en dood geraakt, waar hij niet alleen schaduwen ontmoet, maar ook een goddelijk licht – een engel? Zijn lang gestorven vader of moeder? – dat zijn toestand opeens niet langer afschrikwekkend maakt, maar juist hoopvol… ik denk dat ik gehuild heb om dat boek. En voorgoed verslingerd was aan de bezwerende stem van Jon Fosse, een stem die volgens het Nobelprijscomité het onhoorbare zegt. Hoe doet hij dat?
‘“I listen of course, to what I have already written. And then to something unknown, somewhere out there. Writing happens,’”, zegt hij in een interview met The New Yorker. Je ziet hem voor je, die Fosse, met gezellig schuingehouden hoofd, pen in de aanslag, luisterend, om iets onbekends op te vangen uit de ruimte, of van die geluiden, die eenzame piepjes en klikjes waarmee walvissen communiceren en navigeren in een oceaan.
En dan dringt zich ook de gelijkenis op van zijn boeken met bezwerend meditatieve muziekstukken; die van Philip Glass bijvoorbeeld, Songs from the Liquid Days, of In the Upper Room, of de Canto Ostinato van Simeon ten Holt, die minimalistische muziek brengt in mij een vergelijkbare stemming teweeg als bij het lezen van Fosse. De herhaling, de minimale verandering, het losraken van tijd, plaats en ruimte.
“Een eenvoudige figuur kan op veel verschillende manieren uitbreiden en vervolgens weer inkrimpen, waarbij dezelfde algemene melodische configuratie behouden blijft, maar door de toevoeging van één noot een heel andere ritmische vorm aanneemt.”
Philip Glass
Exact dat. Je had het niet gedacht, maar luisteren wordt lezen, en lezen wordt luisteren. Misschien naar de ander [Ik is de ander, Septologie III-V], misschien naar jezelf – wie dat dan ook mag zijn. Die verschuivingen en gedaantewisselingen vinden ook in Fosses teksten plaats; Asle en Ales smelten samen, er is nog een dubbelganger Asle, Ales komt terug als betovergrootmoeder van Asle; zo neemt de wereld een sprookjesachtige, verschoven toestand aan waarbij de een de ander wordt of altijd al was.
Misschien is Vaim, dat vorig jaar november verscheen, toch nog een beter opstapje naar Fosses werk. Is het mijn verbeelding, of lijkt onze schrijver er na de Nobelprijs wat lichter en vrolijker op geworden? Er zitten geestige passages in, Jatgeir met zijn boot Eline, die zich tot twee keer toe laat bezwendelen door een winkelier bij zijn aankoop van een naald en een klosje garen – om wat knopen vast te kunnen naaien. Eline is zijn jeugdliefde die op een goede (of kwade? Oh, weet wat je wenst) dag bij hem aan boord stapt en ongevraagd bij hem intrekt. Lijkt mij helemaal niet zo’n leuke vrouw, maar de sullige Jatgeir laat het allemaal gebeuren. Drie vertellers, drie perspectieven, wederom liefde, verlies, verlangen versus werkelijkheid. Tot mijn grote vreugde zie ik op de site van de Nederlandse uitgever Oevers dat dit jaar al het tweede deel van Vaim (Vaim Hotel) verschijnt en volgend jaar het derde: Weekblad Vaim. Ik kan niet wachten.
Het werk van Jon Fosse verschijnt in het Nederlands vertaald bij Uitgeverij Oevers.
Vaim is vertaald door Michiel Vanhee en Sofie Maertens.
Schrijfhuisje. Zie je het voor je in Nederland: Koning Willem Alexander die een huis in zijn tuin Paleis Huis ten Bosch voor bewoning afstaat aan Adriaan van Dis? Omdat een groot kunstenaar zo’n geste verdient? Jon Fosse woont al sinds 2011 in de tuin van Koning Harald V van Noorwegen. Omdat een kunstenaar, van nationaal belang zo’n ereplek toekomt. Erkenning, ruim voor de Nobelprijs, kom daar eens om.

‘De Grotten’, kunstenaarswoning in Slottsparken in Oslo, gebouwd door Hendrik Wergeland in 1841. Hij was de eerste bewoner. Sinds 1924 is de woning ingesteld als erehuis voor de beste kunstenaars, componisten en schrijvers die door de Koning worden geselecteerd. Eens per twintig jaar wordt de woning toegewezen.
kleurenfoto: Knut A. Syed (KAS)