OVER DE VERZAMELDE VERHALEN VAN THOMAS MANN


door Geke Mateboer


“Het feit dat de democratie vandaag de dag niet is veiliggesteld, maar wordt aangevallen, ernstig wordt bedreigd van binnenuit en van buitenaf, dat het opnieuw een probleem is geworden, is iets dat Amerika ook voelt. Het voelt dat het uur is aangebroken voor zelfreflectie van de democratie, om haar opnieuw in herinnering te roepen, te heroverwegen en in het bewustzijn te brengen — kortom: om de democratie te vernieuwen in denken en voelen.”
Thomas Mann in 1938 tijdens zijn lezingentournee door de VS

Wat maakt een schrijver excellent? Dat hij na honderd jaar – of meer – nog steeds niets aan zeggingskracht heeft verloren, en daarbij, dat wetende, de verwachting dat honderd jaar van hier, zegge in 2126, Thomas Mann zijn lezers nog steeds iets te vertellen zal hebben? Eeuwigheidswaarde, het is waar veel hedendaagse schrijvers misschien van dromen en op hopen maar waar alleen de eeuwen hun uitspraak over kunnen doen.

Het was dan ook met grote verwachtingen, blijdschap en popelend hart dat ik de nieuwe verzamelde verhalen van Thomas Mann, vers uitgegeven door Van Oorschot in de vertaling van Ria van Hengel, op 10 januari opende en begon met lezen, als een blijde kleuter met een nieuw verkregen speeltuig. De heerlijkheid! Met nieuwe verhalen, nog niet eerder in het Nederlands verschenen, zijn vroege, korte en soms experimentele, minder bekende teksten die ik nog niet las en waarvan ik op het moment van dit schrijven nog maar enkele heb gevreten, in een soort honger die ik van mezelf nog niet kende en in verlangen naar meer: ‘Gevallen’ is nog maar een begin van – oh zaligheid – het 740 pagina’s tellende, kloeke boek, gevolgd door ‘De wil tot geluk’. Magnifieke verhalen, (en wat was hij nog jong toen hij ze schreef) die je in een klap terugbrengen in de sfeer van De Toverberg, Koninklijke Hoogheid, Felix Krull, Tonio Kröger, Lotte in Weimar, de sfeer van Mario. Al het schone, complexe, psychologische, politieke en ironische van Mann opnieuw weer voorgeschoteld, opgediend in stukken als gangen van een perfect menu: hier is het weer, dit was het, en dit was waarom je las, en las, en las. 

Eerste druk van Der Zauberberg. Foto: © Foto H.-P.Haack

Plotseling dacht ik weer aan haar, een oude vriendin, in de vorige eeuw, die bij het voortijdig overlijden van haar man, een eminent kenner van de Duitse literatuur, op een donkere avond – toen het ging over het schier onmogelijke verwerken van de dood van haar geliefde – opstond uit haar stoel en vol drama uitkreet: “Thomas Mánn, en niemand anders, heeft er mij doorheen gesleept!” Vijftig jaar later, en zoveel meer doorleefd en beleefd dan toen, (zo komt het mij nu voor) heeft die kreet alleen maar aan kracht gewonnen; alsof je weet, nu zoveel beter dan toen, dat het gaat om liefde en liefde alleen. Het moet rond die tijd zijn geweest dat ik voor het eerst in de Buddenbrooks begon. 

Blauwe bankbiljetten op haar nachtkastje

In ‘Gevallen’ vertelt dokter Selten, nog maar 30 jaar oud, in het barokke atelier van kleine vriend Meijsenberg over een fatale verliefdheid (zo’n diepe, verwoestende verliefdheid die wel slecht moet aflopen) van een jonge student op een wel heel pragmatische en opportune jonge actrice, die behalve hem ook een stokoude heer ontvangt (oh schrik) die blauwe bankbiljetten blijkt achter te laten op haar nachtkastje. “Maar plotseling werd hij lijkbleek, zijn ogen werden groot en zijn lippen gingen trillend uit elkaar. Toen hij met de bankbiljetten binnenkwam had zij haar ogen naar hem opgeslagen en hij had haar ogen gezien”. Het is natuurlijk Selten zélf die dit is overkomen, en die met zijn verhaal op de proppen komt als reactie op iemand uit het gezelschap die een lans probeert te breken voor de maatschappelijke positie van das Weib. “Geworteld in vooroordelen, de stomme vooroordelen van de samenleving”. Selten kan, hoe wrang ook, niet anders dan met zijn lamento de vooroordelen bevestigen. 

(tekst gaat onder de illustratie verder)

“Die luchten! Die luchten, dat is álles!”

Met Paolo Hofmann, uit De wil tot geluk gaat het al niet veel beter, maar hij, ziekelijke jonge man – een vage gelijkenis met Hans Castorp uit de Toverberg dringt zich op – houdt de liefde vol, hij is een vriend van de “alwetende verteller”, al op de lagere school hielden ze afstand van de rest van de leerlingen, de larven, en in hun uitzonderingspositie lazen ze Heine in het geheim. Paolo wordt vanwege zijn ziekelijke constitutie afgewezen door de vader van de geliefde, Freiherr von Stein, en hij zet het, zo ziek als hij is, op een verwilderd reizen naar het zuiden, vol van de liefde “met een geluidloze, vurige, zinnelijke hartstocht”. Romantiek, in eenvoud verteld, doorstoomd van Italiaanse, zomerse avondstemmingen. “Die luchten! Die luchten, dat is álles!” Hoewel de dokters hem bezwoeren: ga naar huis, en kruip in bed, bleef Paolo nog steeds in leven, zijn doodsangsten ten spijt, totdat hij eindelijk, na vijf jaar, een brief ontvangt van de baron: de dochter blijkt tóch nog beschikbaar, omdat ze consequent de hand van goede partijen afwees en er niet jonger op werd. De ouders willen het geluk van de kinderen niet langer in de weg staan. Om dat te vieren tapt de verteller met Paolo een glas water uit de Trevifontein van Bernini in Rome – iedereen weet dat dát betekent dat je ooit zult terugkeren naar de Vaticaanstad –  maar het ‘reisglas’ breekt op hetzelfde moment in duizend stukken. Paolo trouwt met Ada von Stein, maar sterft in de bruidsnacht. 

“De wil tot geluk, daarmee had hij de dood zolang bedwongen. Toen daaraan was voldaan had hij geen excuus meer om te leven.”

Die hopeloze pogingen van de mens, om geluk, liefde en dood naar zijn hand te zetten, en het wensdenken; “Ik móét gelukkig zijn, dus ben ik het – iets anders kun je jezelf niet verkopen”, zoals De Paljas ons voorspiegelt. En dan de ontgoocheling, van het niets blijken te zijn, je zelfbehagen te verliezen, een ongelukkige en belachelijke figuur te zijn. En dan maar, zoals de gebochelde meneer Friedemann, de kop voorgoed in de schoot te leggen. Of in een vijver. 

Vooroordelen over allerlei groepen mensen

Het is ronduit verbijsterend, hoe Thomas Mann in deze verhalen weer vlijmscherpe dingen poneert die nú absoluut niet meer zouden kunnen. Je houdt je adem in. Over de ontmoeting met Baron von Stein en zijn vrouw: “Gewoon een lelijke, kleine Jodin in een smakeloze grijze jurk, wel met fonkelende diamanten in de oren…”
Het is de ongecensureerde Mann-tekst. Ria van Hengel, de vertaalster met haar springlevende, frisse teksten, komt er in haar verantwoording fijn en gepast op terug: de alwetende verteller – lees Thomas Mann – geeft herhaaldelijk subtiel, óf grof, blijk van vooroordelen over allerlei groepen mensen; vrouwen, joden, zwarte mensen, zigeuners, boeren, dikke, gebrekkige en laag opgeleide personen. “In termen die wij niet meer willen gebruiken of als schokkend ervaren.” Van Hengel moffelt goddank niets weg van de oorspronkelijke teksten. “Die maken deel uit van een kunstwerk en weerspiegelen een historische werkelijkheid” en wie daar niet tegen kan, moet maar gaan vissen in plaats van lezen. Mijn woorden. Bovendien, door zijn dagboeken en brieven wisten we al, dat Mann nu eenmaal niet de allerleukste thuis was. Hoed af, voor Ria van Hengel, die we al kenden van haar mooie vertalingen van W.G. Sebald en Herta Müller. 

Na de eerste, verrassende verhalen scroll ik stiekem even door naar het allerlaatste, De wet, uit ’44 (over de avonturen van Mozes en zijn beeldloze god, die uiteindelijk de god van de wereld moet worden) en ja, ook dat is weer een fijnzinnige, eigentijdse tekst, die haarfijn de ironische en soms zelfs grappige bedoelingen van Mann weergeeft. Nog een kleine 500 pagina’s te gaan, mij niet bellen.

Thomas Mann sleepte ons door het Duitse keizerrijk, door de Weimarrepubliek, door Nazi-Duitsland, hij sleept ons met zijn onnavolgbare stijl mogelijk ook door deze, nieuwe tijd, met nieuwe aanvallen op – onder meer – de democratie. 

(tekst gaat onder de foto verder)

Thomas Mann. Foto: Bundearchiv / Wikimedia Commons

Spanning tussen verlangens en burgerlijk leven

Friedhelm Marx, literatuurwetenschapper aan de Universiteit van Bamberg, en Mann-kenner, verwoordt het op de site van het Goethe Instituut zo: Mann (1875-1955) beschrijft verlangen, roes, gender trouble en de spanning tussen verlangens en het zelfgekozen burgerlijk leven. Beschrijft in zijn verhalen de falende concepten van mannelijkheid, maar ook van androgyne, biseksuele identiteits-constructies op gendergebied. Kortom; elke nieuwe generatie zou zich anno nu voor herkenning en troost acuut moeten wenden tot Thomas Mann, want hij blijft urgent, tijdloos en prachtig. 

“De Poolse Nobelprijswinnares Olga Tokarczuk gebruikte de literaire achtergrond van Manns De Toverberg voor haar in 2022 verschenen roman Empusion en in november 2024, precies 100 jaar na de publicatie van het oorspronkelijke werk, bracht Heinz Strunk een roman uit met de titel Zauberberg 2.0. De verhalen van Thomas Mann zijn duidelijk nog steeds niet ten einde verteld.”
Friedhelm Marx

Thomas MannVerzamelde verhalen
Vertaling: Ria van Hengel
740’s p’s, gebonden, met stofomslag en leeslint
Uitgeverij Van Oorschot

Foto Thomas Mann