In Wat we kunnen weten van Ian McEwan, schrijft Geke Mateboer: ‘cross je sensationeel heen en weer tussen 2014 en 2119 en komen alle menselijke emoties en strapatsen aan bod; haat, liefde, ontrouw, schaamteloze trots en literaire ijdelheid.’
door Geke Mateboer
Het drong pas vrij laat, na het lezen van het boek, tot mij door dat de titel Wat we kunnen weten het beste letterlijk op te vatten is. Wat we kúnnen weten over de toekomst is best veel eigenlijk. We kunnen weten dat we het klimaat aan het vernielen zijn en wat de desastreuze gevolgen daarvan ongeveer zullen zijn.
Alleen zijn we te pas en te onpas geneigd om het woord dystopie te plakken op verhalen – boeken of films – die over zo’n toekomst gaan. Daarbij worden dystopieën geacht over denkbeeldige samenlevingen, angstaanjagende toestanden, technologische rampen of totalitaire regimes te gaan. Daar kun je fijn bij griezelen, of ten minste de schouders over ophalen want het is immers toch maar fantasie. Of gewoon zeggen: die dystopische onzin lees ik niet.
In Wat we kunnen weten, de laatste en negentiende roman van Ian McEwan, is de geschetste werkelijkheid allesbehalve denkbeeldig. Sterker nog, af en toe heb je het gevoel dat we al lang en breed middenin die toekomst zitten, en we kunnen het weten, zoals onze ouders in 1949 hadden kunnen weten wat George Orwell hen voorschotelde met 1984. De toekomst is er al.
Zelf noemt Ian McEwan (77) het in een interview op zijn eigen site “Science fiction without the science” Je zou het misschien ook science fiction without the fiction kunnen noemen.
“Wat weten we? Over de doden weten we minder dan we denken, over de levenden verschillen we van mening en mensen in de toekomst kunnen we niet kennen. Maar we maken ons wel druk over wat ze van ons zullen denken – als het gaat over de wereld die we hen nagelaten hebben. Misschien haten ze ons wel. En wij zijn er niet meer om ons te verontschuldigen.”
Dat zegt de schrijver, die in bepaalde literaire kringen ook wel als Ian Macabre wordt aangeduid.
Armzalig geknutselde bom
In 2119 neemt taalwetenschapper Tom Metcalfe, verbonden aan de University of the South Downs, de nachtboot vanaf Port Marlborough naar de kleine haven van Meantwrog-under-sea. Daar is de Bodleian Snowdonia Library gevestigd, waar hij met zijn knipperlicht-relatie Rose op zoek gaat naar een meer dan honderd jaar oud, wonderschoon gedicht, dat slechts één keer ten gehore gebracht is en nooit teruggevonden. Het moet nog ergens zijn, in het deel van Engeland dat niet is overstroomd.
Engeland is een eilandenrijk geworden, als gevolg van zeespiegelstijging, nucleaire politiek, populisme en AI disasters. In 2042 – na tal van oorlogen en conflicten in de wereld ontploft een armzalig in elkaar geknutselde Russische intercontinentale raket halverwege de Atlantische Oceaan, in plaats van in het Zuiden van Amerika waar de bom voor bedoeld was. Gevolg: een catastrofale tsunami die grote delen van Europa, West Afrika en de kust van Noord Amerika verwoest.
Er zijn enorme binnenzeeën ontstaan, als gletsjermeren, honderden steden zijn verdwenen, Duitsland is verwoest en door Rusland ingelijfd, de beschaving is ingestort, de industriële productie is tot stilstand gekomen (want geen grondstoffen), er is geen biodiversiteit meer. De wereldbevolking is met driekwart afgenomen. Amerika is wasteland geworden waar inlandse stammenoorlogen woeden, de digitale nalatenschap is ondergebracht in Nigeria en wat er nog over is van bibliotheken en musea is in veiligheid gebracht in hooggelegen gebieden. Zoals Snowdonia. Mensen zijn eilanders geworden met een kleurloos leven, op een eenzijdig dieet van proteïnerepen en eikelkoffie. Reizen is levensgevaarlijk.
Metcalfe vraagt zich in gemoede af over hoeveel zorgeloze minachting zijn voorouders – in hun weelde – ooit beschikten voor hun nageslacht. Toch is er, tussen catastrofes door, ruimte voor en troost in literatuur, en worden ook dan meesterwerken geschapen.
Twintig jaar na de Overstroming
Tegen die tijd was de afbraak van de biosfeer verder gevorderd dan in de ergste doemscenario’s werd voorspeld. Multinationals die geen strobreed in de weg werd gelegd, onwillige overheden, armoede en gewapende conflicten maakten dat het begin de van de eenentwintigste eeuw er met terugwerkende kracht bijna soortenrijk uitzag. Nu was het oude, romantische verlangen naar een bloeiende natuur – oftewel de biofolie niet meer te stoppen. Rond de tijd van de Overstroming was alles grotendeels gedigitaliseerd en verspreid. Duizenden jaren aan cultuuruitingen werden weggespoeld.
In Wat we kunnen weten cross je sensationeel heen en weer tussen 2014 en 2119 en komen alle menselijke emoties en strapatsen aan bod; haat, liefde, ontrouw, schaamteloze trots en literaire ijdelheid, beginnend met het verjaardags-diner van Vivien Blundy, de vrouw van de hoogmoedige dichter Francis Blundy. Ze heeft alles opgegeven voor zijn uitmuntende talent, haar carrière, haar eigen huis. Na de langzaam gegaarde kwartels en het eekhoorntjesbrood leest hij het epische sonnet – vagelijk gelijkend op werk van Philip Larkin – voor, het gedicht dat nooit is teruggevonden, opgedragen aan haar, ‘A corona for Vivien’
Een kroon voor Vivien
In het gefilmde interview vertelt Ian McEwan dat twee componenten hem aanzetten tot het schrijven van deze overdonderende roman. Als eerste is daar het in renaissancistische stijl geschreven sonnet van de dichter John Fuller ‘A corona for Prue’ [opgenomen in de bundel Marston Meadows die vorige maand in Engeland verscheen] – niet te verwarren met de epidemie corona; in het ingewikkelde sonnet vormt het 15e couplet de corona. De kroon voor Prue.
Come, then, we’ll walk (what else is there to do?)
Down to the goosey river, where the weir
Sprawls like our dreams and seethes throughout the year
Into the secret fields. Just me and you
Tracking the shape and startled peekaboo
Of a lost roe deer (surprised to find us near
But fixed in curiosity, not fear).
These are the meadows, and our rendezvous.
Ten tweede bestaat er, zo vertelt hij, in Amerika een organisatie* die zich richt op langetermijndenken en op het bewaren van kennis en instructies die nuttig zouden kunnen zijn voor mensen ver in de toekomst. Zoals het maken van zeep en glas, praktische recepten voor het (her)opbouwen van een samenleving na een catastrofe. En het bestrijden van besmettelijke ziektes. Dit, en het fascinerende gedicht van Fuller komt samen in Wat we kunnen weten.
Op de vraag welk boek Ian McEwan zelf zou willen meenemen naar een imaginaire toekomst over honderd jaar is hij zeer beslist: “Ulysses van James Joyce. Revolutionair, bijna zo belangrijk als de bijbel. En hij schreef zó geweldig over kinderen, zo goed als Jane Austen, of Dickens, zo niet beter.

Ian McEwan: Wat we kunnen weten.
Vertaling: Harm Damsma en Niek Miedema.
384 p’s. Uitgeverij De Harmonie.
*waarschijnlijk wordt bedoeld The Long Now Foundation; zij verzamelen en bewaren kennis voor de verre toekomst (onder andere via projecten als de Manual for Civilization en de Rosetta-disk). Neem er vooral even een kijkje: LONG NOW — fostering long-term thinking