De vlag moet uit wanneer in Europa een nieuwe schrijver opstaat die alle tongen en pennen in beroering brengt. Die meer lijkt te zijn dan een seizoensverschijnsel. Het succes van Nelio Biedermann wordt veelal in één adem genoemd met zijn verbluffend jonge leeftijd – hij was 22 toen hij Lázár schreef – en wel zo vaak dat je je begint af te vragen: wat heeft die leeftijd er toch mee te maken? In het Vlaamse Humo kopt de recensent nogal onaardig: “Hoe kan zo’n snotneus zo magistraal goed schrijven?”


door: Geke Mateboer


Alsof alleen grijze mannen tot meesterwerken in staat zouden zijn. De Duitsers zijn lyrisch over de jonge Zwitser, ‘Der neue Zauberer’ wordt hij genoemd met een verwijzing naar grootheid Thomas Mann. En: ‘Zürcher Wunderkind’. Terwijl aan de andere kant The New Yorker de roman neersabelt als een pompeus, inhoudsloos Gothic drama. “Fiction written by very young writers, even the best ones, is almost never good.” Het vergelijk met Mann is niet steekhoudend, en de recensent meent een waarschuwing te moeten plaatsen: overdreven lof kan een jong talent alleen maar schaden.

Hoe dan ook, het epos is inmiddels in twintig talen vertaald en staat in Duitsland al maanden in de bestsellerslijsten, en filmers staan op de deur te roffelen. Tijd om Lázár te lezen, want waar rook is, is vuur, en clichés zijn meestal waar. Tijdens het lezen blijft de ophef over de leeftijd van Biedermann in mijn achterhoofd meespelen – jammer is dat, want je kunt dan niet meer onbevooroordeeld lezen, telkens zoek je naar sporen die misschien zullen bewijzen dat het de schrijver wel moet ontbreken aan levenservaring, wijsheid, belezenheid. Welnu, ik kan u verzekeren dat die sporen in Lázár nauwelijks of niet te vinden zijn. Het is een klassieke roman in de beste traditie, en wat het boek zo aanlokkelijk maakt is dat die traditie hier en daar overtoept wordt door fijne, eigentijdse, frisse penseelstreekjes, die je doen realiseren dat je hier met iets nieuws en jongs te maken hebt.

Buddenbrooks

Het geboortejaar van Biedermann, gevoelsmatig zo kort geleden, 2003. Het jaar dat de VS Irak binnenviel. De ontploffende Space Shuttle Colombia. Saddam Hoessein gevangengenomen, en onze millennial Nelio lag nog met een luier om in zijn wiegje. Blijkbaar wekt genialiteit enerzijds irritatie, oogst anderzijds blinde lof en dus die rechtstreekse vergelijkingen met Thomas Mann – wat niet zo vreemd is; Mann was ook nog maar 22 toen hij begon te schrijven aan de Buddenbrooks. Daarmee houdt voor mij overigens elke vergelijking op.

Lázár vertelt de familiegeschiedenis van een adellijke familie in Hongarije van 1900 tot 1956. Neergang, vervolging, oorlog, onteigening, opstand en de vlucht naar Zwitserland. Biedermann, student aan de Universiteit van Zurich, beschrijft feitelijk de geschiedenis van zijn voorouders, Hongaarse aristocraten, gedurende twee wereldoorlogen, waarna ze uiteindelijk alles, geld, goed, status en kastelen, kwijtraakten aan het communisme. Het is een generationeel drama, dat verweg doet denken aan Joseph Roths’ Radetzkymars. Maar dan met veel masturbatie- en seksscenes (nogal een dingetje bij de Lázár-mannen), en veel overspel – bijna iedereen in het boek gaat vreemd. Dat begint al bij de oervader Hayo Lázár met zijn zestien kinderen, vervolgt met de baron Sandór en zijn vrouw Maria, die respectievelijk met vrouw Virág in een sjofel pension en met de huisleraar aan de buitenechtelijke haal gaan. Huisleraar Jonathan verstopt overal in het kasteel (omringd door geheimzinnige bossen) met parfum doordrenkte liefdesgedichten op geel papier. Jaren later, als het ‘kolossale barbarenrijk van stinkende Russen’ het kasteel heeft overgenomen worden de gedichten van Jonathan nog her en der gevonden. Die was toen allang dood gevonden – want beticht van aanranding van de jaloerse dochter Ilona – en van zijn dood kregen uiteraard rondtrekkende Roma de schuld.

Woolf

Er komt een kind, Lajos, met een doorschijnende huid en lichtblauwe ogen, die in niets op Maria en Sandór lijkt. De volgende generatie zet voort met een kind genaamd István, of Pista, en ook daarmee is vanalles mis. Hij praat met schaduwen van bomen, wappert met zijn handje en houdt vooral van het donker, eigenschappen, van zowel Lajos als Pista, waarover later in het boek niet meer wordt gerept, en zo zijn er wel meer losse eindjes. Er zijn hevige verliefdheden, de baron zuipt sterke drank als ware het bronwater, daarmee zijn einde bespoedigend, en de barones, die veelvuldig in haar blanke armen krast (om te weten dat ze nog leeft) komt aan haar einde in een meertje, de zakken van haar blauw gebreide vest gevuld met stenen – een wel heel flagrante verwijzing naar Virginia Woolf. Die im- en expliciete verwijzingen naar andere (literaire) grootheden zijn schering en inslag, van Freud tot Kafka, van Musil tot Proust; ze vormen bouwmateriaal voor Biedermanns’ epische vorm.

Maar niet de hele roman vertellen. Mij bevallen in het boek de ultrakorte hoofdstukken, die elk, apart van elkaar, kleine schilderijtjes vormen van mensen, gebeurtenissen, stemmen of periodes. Ook een manier om snel (je moet wel, in nog geen driehonderd pagina’s!) met grote stappen door te tijd te gaan. De losse zinnen met veel witregels ertussen, het staccato wanneer Hongarije de kant van de Asmogendheden kiest en Lajos -die onder de wapenen moet- zijn aanvankelijke bewondering voor Hitler voelt omslaan in angst. Er moet nu gevochten worden met de Russen, waartegen Hongarije niet is opgewassen. De Slag om Stalingrad, de Adler Diplomat moet worden ingeleverd, de rouwstoet van winters geklede Joden in de zomer van 1944 trekt voorbij. Mij bevallen ook hele mooie zinnen, vol metaforen, die soms ontsporen.

“De augustusavonden waren blauw. Ze gingen op de velden liggen als vermoeide landlopers. Ze lieten zich neer in het park achter het huis, onder de treurwilg, op de oever van het meer,”

Prachtig geschetst, zet daar een punt, denk je, maar Nelio heeft de smaak te pakken:


”… legden zich te ruste op de bedden, de banken, de dikke tapijten en op de fauteuils, alsof ze een lange reis achter de rug hadden. Alsof ze van heinde en verre kwamen, uit een afgelegen, eenzaam rijk”

Dan ben je de draad kwijt; wie ook alweer kwamen van heinde en verre? Ah ja, de augustusavonden. Maar ook zinnen waarvan je wilde dat je ze zelf had bedacht:

“De bomen waren al in bloei geweest, waren verrast door de terugkeer van de winter en wisten niet hoe ze nu verder moesten groeien”

Wat ook een compliment mag heten aan de vertalers, Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen. Nelio Biedermann heeft mij met Lázár leesgenoegen bezorgd, aan Thomas Mann en Joseph Roth kan hij wat mij betreft, ondanks de echo’s, niet tippen, maar wat dan nog, en wat (nog) niet is kan komen, dus blijven we ‘de snotneus’ met nieuwsgierigheid en bewondering volgen op zijn schrijverspad.

Nelio Biedermann: Lázár
Vertaling: Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen
Uitgever: Atlas Contact

foto header: Nelio Biedermann op de Frankfurt Book Fair 2025 – WikiPortraits