Marcel Möring was in Twente voor de herdenking van de April-Meistaking, de grote antinazistische staking die op 29 april 1943 uitbrak tegen de aangekondigde gedwongen arbeidsinzet in Duitsland. Het verzet begon bij Machinefabriek Stork & Co in Hengelo en breidde zich razendsnel uit over heel Nederland. De staking eindigde op 3 mei. Ruim tweehonderd mensen werden door de nazi’s geëxecuteerd en er vielen talloze gewonden. In zijn voordracht analyseerde de in Enschede geboren Marcel Möring waarom precies daar, bij Stork de vlam in de pan kon slaan, en hoe het kwam dat de opstand zo goed georganiseerd was.
Door Geke Mateboer
De feiten zijn bekend. Stork-werknemer Tjitte Roorda en Jan Berend Vlam, werkzaam bij Dikkers, stonden aan de wieg van de staking, Stork-telefoniste Femy Efftink coördineerde de oproep tot verzet via haar telefooncentrale. “Staakt u mee?” Gaandeweg verspreidde de staking zich over het hele land. Bijna een half miljoen Nederlanders legden het werk neer in mijnen, in fabrieken en agrarische bedrijven. Twente telde ruim twintigduizend stakers. Marcel Möring schetste een veel langere voorgeschiedenis van de Twentse stakingsbereidheid. Die begon al in de jaren twintig van de vorige eeuw, toen arbeiders meerdere keren het werk in de textielfabrieken neerlegden vanwege gesteggel tussen fabrikanten en vakbonden over werktijden en loonsverlagingen. Stakingen die vaak weinig opleverden, maar uiteindelijk wel zorgden voor een goed georganiseerde arbeidersorganisatie, bekendheid met het fenomeen verzet én het ontstaan van zoiets als een ‘strijdbaar zelfbewustzijn’. De vakbonden waren erin geoefend om mensen op de been brengen, de SDAP won aan invloed en de arbeider ontdekte dat hij zijn stem kon laten horen.
Marcel Möring:
“De Storkstaking was misschien wel de culminatie van een zelfbewustzijn dat in 1919 begon en zich tijdens de stakingen in de jaren twintig en dertig ontwikkelde. Toen een onrechtmatige overheid, de bezetter die ons land was binnengevallen, zijn greep op de arbeider deed voelen, moeten, bewust of onbewust, de herinneringen aan al die eerdere pogingen tot arbeidersverzet zijn gewekt. Het is al heel lang mode om de rol van de sociaaldemocratische beweging, partij en vakbeweging, niet alleen te bagatelliseren, maar zelfs te verafschuwen en alles wat ooit mis is gegaan de schuld van ‘links’ te noemen: linkse politiek heeft tot financiële excessen geleid, de geesten van onze kinderen worden vergiftigd door linkse ideeën. Iedereen kent de propaganda die ooit begon met Pim Fortuyn en nu wordt uitgedragen door zulke partijen als de PVV, FvD en JA21. Het zijn vreemde verwijten. Weinig politieke partijen hebben zo’n geringe invloed gehad op het landsbestuur als de sociaaldemocratische. Sinds het ontstaan van onze parlementaire democratie is ‘links’ zelden aan de macht geweest. Er is in al die jaren één onversneden links kabinet geweest, Den Uyl I, en veertien coalities waaraan de PvdA deelnam op een totaal van 33 naoorlogse kabinetten. Je vraagt je af hoe links alles verpest kan hebben als het vrijwel nooit aan de macht was.”
Embryonale vorm van poldermodel
Möring, (zijn laatste roman Mordechai verscheen vorig jaar) legde een rechtstreekse link tussen zijn eigen bestaan en de stemming in Twente in de oorlogsjaren. Zijn moeder was joodse, zijn grootvader van vaders kant werkte bij textielfabriek Jannink. Bij de April-Meistaking vonden arbeiders en fabrikanten elkaar in hun afkeer van de Duitse bezetter:
“Toen het nodig was ontstond er spontaan een embryonale vorm van het poldermodel. Dat ging verder dan de staking. Mede door het samenwerkingsverband van de fabrikanten, gevormd als tegenwicht tegen de toenemende vereniging van arbeiders in vakbonden, was Twente voor joden een van de gunstige plekken in Nederland om onder te duiken. Mijn moeder en haar zuster hebben daar de vruchten van geplukt”
De onderduikouders van de moeder van Marcel Möring waren geschoolde textielarbeiders.
“Toen ze in 1942 de kans kregen om een onderduikertje uit het Joodse Weeshuis in Rotterdam op te nemen, deden ze dat, doordrongen van een sterk rechtsgevoel, een onweerstaanbare behoefte om te handelen en het juiste te doen. Zonder hen had ik hier niet gestaan, maar ik durf verder te gaan en te zeggen dat ik daarvoor ook de arbeidersbeweging dankbaar moet zijn.”
“Het historische hoeft niet vergeleken te worden met het contemporaine om er iets van te vinden“
De ‘ook erg’ democratie
Hoe lessen te leren uit het verleden? De geschiedenis laat zich niet makkelijk in een conclusie vangen, betoogde Möring, behalve dan dat je over de 29e april 1943 kunt spreken van uitzonderlijke moed, van fabrikanten en arbeiders die op het juiste moment hetzelfde dachten. Hij registreerde bij het herdenken van bevrijding, verzet en vervolging, een toenemende generalisering van wat heel specifiek was.
“Maar elke situatie is uniek en door ze allemaal naast elkaar te leggen scheppen we een soort ‘ook erg’ mozaïek waarin het specifieke van toen langzaam verandert in een metafoor. Je kunt begaan zijn met het lot van de mensen in Iran, Gaza, Tibet, of de Oekraïne, zonder iets af te doen aan het unieke van 29 april, of vier en vijf mei. Het historische hoeft niet vergeleken te worden met het contemporaine om er iets van te vinden. Al het erge in de wereld op een hoop gooien schept een soort erg-democratie die het begrip van die bepaalde gebeurtenis op die ene plek niet vergroot en tegelijkertijd geen recht doet aan een gebeurtenis op een andere plek in een andere tijd.”
