Het maakte me in een flits vrolijk-licht om het hart, te ontdekken dat uitgeverij Weerwoord De trein der traagheid van Johan Daisne (pseudoniem van Herman Thiery, 1912 – 1978) opnieuw heeft uitgegeven. Weerwoord, uit het tot de verbeelding sprekende Heist op den Berg in België – ik ging dat maar eens even opzoeken, want het leek mij een zeldzaam dappere daad om een magisch-realist van halverwege de vorige eeuw vanuit het niets in een overspannen boekenmarkt te zetten.
door: Geke Mateboer
Daar lees ik: ’t is een groep idealistische Vlaamse coöperanten die met passie voor literatuur sinds begin vorig jaar het uitgeeflandschap probeert te verrijken. Met de behoefte “om uitgeven niet alleen over te laten aan commerciële regels in een markt die door steeds minder spelers wordt bevolkt”, quote uitgever Gert De Bie. Wat een sympathiek initiatief. De trein der traagheid is hun tiende uitgave op rij in een jaar.
Het is een klein, fijn vormgegeven boek met dit verhaal, dat in 1950 verscheen als onderdeel van de verhalenbundel Met dertien aan tafel, nadat het in 1948 werd gepubliceerd in Het Nieuw Vlaams Tijdschrift. En al lezend voel ik me in één klap een halve eeuw terug gekatapulteerd; het brengt weer dezelfde leeservaring als toen – hoe traag ook die trein; je leest in hogesnelheidstreinvaart de 123 pagina’s uit en weet weer precies waarom je het toen zo mooi vond. Het is de taal, het is het verhaal, de sfeer en de schoonheid. En nog iets anders, dat later.
Ik las toen alles wat ik te pakken kon krijgen en halverwege de jaren zeventig trok het magisch-realisme, op alle fronten. Daisne en alles van Hubert Lampo snorde ik op in tweedehandswinkeltjes want zakgeld was beperkt, en zijdelings scoorde ik er René Magritte bij als nieuwe held, zijn Kasteel in de Pyreneeën zette mij zelfs aan om op mijn zolderkamertje ook te gaan konterfeitselen (zouden de Vlamingen het zo zeggen?) met penseel en olieverf op doek.
Maar zo vroeg lezen van al wat los en vast zit heeft ook nadelen; vijftig jaar later herinner ik me van de massa die ik absorbeerde in mijn pubertijd nog maar bitter weinig meer dan sferen en wat losse beelden. In de decennia daarna lees je weer heel veel andere literatuur die de oude verdringt, de boekenplank in je hoofd blijft even breed; de hoeveelheid die je er aan de voorkant nieuw op zet, valt aan de achterkant evenredig van de plank. En het aanbod is té groot om je de tijd te gunnen die ooit gevallen boeken weer op te pakken en opnieuw te lezen.
Als dat al eens gebeurt kan het ook droevig uitpakken. Zo herlas ik ooit De komst van Joachim Stiller, en ik verbaasde me over het enigszins kinderlijk aandoend proza, en hoe me dat ooit gepakt had? Misschien onterecht, want toen had daar ook al de stem van de Lampo criticasters luid overheen geklonken, och dat magisch-realisme ook: Tant de bruit pour une omelette. Het absurde van bovennatuurlijke gebeurtenissen, dat was toch immers maar een hoop koude drukte om niets.
En Johan Daisne? Ook daarvan bleven me losse impressies en sferen bij. Van De trap van steen en wolken zou ik nauwelijks meer weten te vertellen dan iets woestijnerigs over een Gun en Ra, het verhaal dat Evert ter Wilgh probeerde te schrijven, terwijl hij zich buiten dat geschrijf om somber en zwaarmoedig door het leven sleepte. En nóg iets – behalve die naam Evert, een naam die bij mij pijn en verlangen opriep, want mijn aanbeden vader, die stierf toen ik negen was, heette ook Evert -; er bleef in mijn hoofd een beeld haken van die Evert ter Wilgh, die s ’ochtends op zijn rug ontwaakte, en aan de natte verticale sporen van zijn ooghoeken naar zijn oren, bemerkte dat hij in zijn slaap had gehuild. Dat gegeven uit De trap is zo ingeëtst, dat ik nu nog weet dat Evert s’ nachts onverricht huilde, en ik daar zélf om huilen moest. En ik las ooit ergens dat Johan Daisne een dochtertje van drie maanden verloor, daar bijna aan onderdoor ging, net als later aan het overlijden van zijn vader – levensingrepen die hem diep depressief maakten. Hoe voorstelbaar. En: dat hij een later geboren kind, een zoontje, Evert noemde.
Wat ís het dan dat behalve de prachtige Daisne taal De trein zo onweerstaanbaar maakt? Het zit in de vanzelfsprekende erkenning van het onbegrijpelijke – dat je het ‘religieuze’ zou willen noemen als dat woord niet zo vreselijk verneukt was geworden door legioenen die het onbegrepene coute que coute begrijpelijk willen maken in kerken en geloofsgenootschappen. Maar religie als in het oorspronkelijk Latijnse religare: opnieuw verbinden.
De drie mannen, de verteller, de oude professor Hernhutter en de student Val zijn uit de mysterieuze trein gestapt. In die trein was iedereen in een diepe slaap gevallen. Het duistert, hun horloges zijn op dezelfde tijd stil blijven staan. De gesprekken die ze hebben, op weg naar de lichtjes van de bewoonde wereld (die maar niet dichterbij wil komen), door de geurige zomernacht, terwijl de slaaptrein verder is gereden, draaien om de vraag waar ze gedrieën aan dachten, voordat ze zelf een uiltje knapten. Die gedachten gingen over schoonheid, liefde en een groter perspectief. Dan is daar het grensland naar de dood als bruggetje, uiteengezet door de hoogleraar, er is een prachtig beschreven herberg, een ‘doodgewone’ andere wereld, waar een onbekende taal wordt gesproken. Er heerst onwetendheid omtrent instellingen als telefoon en tijd. De wijn vloeit in roemers, de vla is superlekker, het water sprankelt, men paft er lustig op los, er is een sterk staaltje hartenjagen, er wordt gedanst, het is triest, het is grappig en hoopvol tegelijk: het is een ode aan de onbegrensdheid van droom en werkelijkheid.
Ik deed wat hij vroeg; ik las het voorwoord van Rob van Essen niet eerder dan dat ik het boek uitgelezen had. En inderdaad: Onze Tijd bestaat niet, we hebben allemaal een eigen tijd. En literaire genres (als in magisch-realisme:) – waar hébben we het in hemelsnaam over. We vonden Niels Holgersson’s Wonderbare Reis ook volkomen aannemelijk en keken niet op van een reus meer of minder.

De trein der traagheid – Johan Daisne
Uitgeverij Weerwoord
isbn: 9789493456143
foto in de header: onbekende fotograaf, Johan Daisne in 1938, Wikimediacommons