Mijn eerste boek van Jane Gardam moet ik hebben gekocht op zuivere intuïtie, vanwege het omslag van groene tartan ruiten – Tartan, Engels, Schots, de titel Een onberispelijke man – en de eeuwige drang om iets van het Verenigd Koninkrijk te begrijpen. Het schijnt dat deze vertaling (door Joost Poort) destijds besproken werd in een lang verdwenen talkshow over een wereld die doordraaide met een host die in publieke ongenade viel vanwege vermeende ongenadige trekjes. We schrijven 2017.

door: Geke Mateboer

Jane Gardam  (Yorkshire, 1928 – Chipping Norton, 2025)  greep mij onmiddellijk bij de kladden, ik kreeg geen genoeg van Old Filth, de ultieme Engelsman, de onberispelijke man, geboren in het Borneo van voor de oorlog. Je moet de trilogie lezen als je wilt begrijpen hoe bestuurlijk Engeland decennialang is gedomineerd door een afstandelijke upper-class en hoe die afstandelijkheid en onthechting ontstond bij Engelse kinderen die door hun ouders (hoge ambtenaren uit de Oost-Aziatische koloniën) op zeer jonge leeftijd naar Engeland werden gestuurd voor hun opvoeding. Deze kinderen (‘de Raj weeskinderen’ waar Gardam haar trilogie aan opdroeg) waren zo mogelijk nog eenzamer dan ‘gewone’ kostschoolkinderen.

Bij uitgeverij Cossee volgden al snel het tweede en derde deel van de Old Filth trilogie; Een trouwe vrouw en Laatste vrienden (resp. 2017 en 2018, vertaald door Gerda Baardman), want Jane Gardam sloeg aan in Nederland, al was het laat, zeer laat, dat Gardam doorbrak buiten Engeland. Haar oeuvre omvat meer dan dertig boeken, romans, verhalen en kinderboeken. Ze was Fellow van de Royal Society of Literature, woonde in East Kent. Naast fictie voor volwassenen schreef ze ook boeken voor kinderen, voor The Hollow Land (1981) ontving ze in 1983 de Whitbread Children’s Book Award. Dezelfde prijs, maar dan voor fictie voor volwassenen kreeg ze in 1991 voor The Queen of the Tambourine. Vorig jaar overleed ze, op 96 jarige leeftijd.

Een van mijn volgende favorieten werd De dochter van Crusoe, en ik zou willen dat ik zonder schroom een thema op Gardams boeken kon plakken, maar als ik zeg ‘eenzaamheid in kindertijd, verlatenheid, dood, verlangen naar een wijdere wereld, liefde en onthechting’ dekt dat nooit de lading, want haar boeken zijn los van die begrippen ook sublieme, autonome composities, met spannende verhaallijnen, ironie en verrassende kleine ontknopingen die je telkens weer verbazen. Zo begrijp je pas écht de grote liefde van Polly Flint voor Robinson Crusoe, de beroemde avonturenroman van Daniel Defoe uit 1719, als je aan het einde van het boek getuige bent van de dialoog tussen de inmiddels stokoude Polly en haar geliefde Robinson. Opeens weet je: ook Polly bracht haar leven door op een onbewoond eiland: het Gele Huis aan de rand van het moeras, alles waar ze zich aan hechtte stierf of verdween, alleen één boek bleef over.

Ik weet dat ik eerder in deze kolommen heb beweerd dat ik het vreselijk vind om ongewild bekend te zijn met de privé levens van schrijvers. Schrijvers van nu, over wie je struikelt in talkshows, tv programma’s en die je voor de voeten lopen op festivals. Schrijvers waarvan je denkt: blijf toch in godsnaam thuis achter je schrijftafel en hou op met Bekende Nederlander te zijn. Wees Niet De Slimste Mens! Schrijvers die zich laten aankleden en schminken voor de zaterdagbijlage van de Volkskrant: voor mij voldoende om nooit meer een boek van hen aan te raken. Ze ontkrachten het mysterie en ontnemen je de kans om zelf hun verhaal te ontdekken.

Als er iemand niet in de schijnwerpers stond, was het Jane Gardam. Er is vrijwel niets over haar bekend. Ja, we weten dat Jane Mary Gardam (meisjesnaam Pearson) geboren werd in Noord Yorkshire, dat ze trouwde met een jurist en drie kinderen kreeg. Dat ze pas serieus begon te schrijven toen die kinderen groot waren. Dat ze bescheiden, scherpzinnig en geestig was, net als haar boeken. Een interview met The Paris Review (2022) gaf een zeldzaam inkijkje in haar leefomgeving: haar huis, Haven House in Sandwich, was een voormalige pelgrimsherberg, bestaande uit middeleeuwse gebouwen. Haar woonkamer was gevuld met bloemen, foto’s van familie, en souvenirs van de buitenlandse carrière van haar man. Ze keek uit op een grote tuin waar ze veel tijd doorbracht. Niets over haar voorkeuren, opvattingen, persoonlijke gebeurtenissen. Dat ze over Crusoe heeft gezegd dat dit boek haar het naast aan het hart lag. Hoe autobiografisch was het? We weten het niet.

Jane Gardam (Wikipedia)

Ik zwerf met Google Earth door de straten van Sandwich aan de rivier de Stour in de graafschap Kent. Vlakbij zee en niet eens zo ver van Canterbury. Toeristische informatie over Sandwich geeft geen flinter prijs over haar zo veelgelezen voormalige inwoonster. Zijn ze daar dan niet trots op haar? Ik scharrel met Pegman van Street View aan de hand door Harnet Street en vind daar eindelijk Haven House, op nr. 29, weliswaar op The National Heritage List, maar zo kaal en anoniem als maar kan zijn – niet eens een klein schildje bij de deur waarop Jane Gardam wordt vermeld en ik feliciteer mezelf: daar heb je dan je mysterieuze schrijfster. Tevreden nu?

Nou nee, iets meer eer had ik Gardam wel gegund. Gelukkig was er – ik noemde ze al eerder – aan het eind van de vorige eeuw Persephone Books uit Bath, dat begon met het heruitgeven van haar werk.
Gelukkig is er ook Cossee in Nederland, die inmiddels tien titels van Gardam heeft uitgegeven en nu is de elfde verschenen: Kostschool aan zee, een magnifiek werk dat ons meeneemt in het leven van Marigold Green, een zeventienjarig meisje in het beperkte maar bijzondere wereldje van een jongensinternaat in Yorkshire, waar haar vader de conrector is.

Irritant dat uitgevers voor dit soort werk altijd de nietszeggende kreet coming of age gebruiken. Een lege marketinggalm die in één klap duidelijk moet maken welk soort leeservaring een boek biedt: een verhaal waarin een jong personage emotioneel, moreel of sociaal volwassen wordt. Dat zou internationaal herkenbaar zijn en passend in een genre‑ecosysteem dat sterk door de Angelsaksische uitgeefcultuur wordt bepaald. Maar zou zo’n label jonge mensen aan het lezen zetten? Het lijkt me niet. Toen ik jong was zou de benaming coming of age voor mij reden zijn geweest om zo’n boek vooral niet te gaan lezen, want weeral iets voor jou bedacht door hinderlijke grote mensen. Je wou volwassen boeken lezen.

En je vraagt je af waarom er dan geen werk wordt gemaakt van coming of old age – is dat marketingtechnisch niet interessant, omdat de meeste lezers toch al oud en bereikt zijn?

Hoe dan ook, Marigold Green, bijgenaamd Bils, of Bilzekruid, worstelt zich inderdaad door haar pubertijd, zoals zoveel meisjes geen kans onbenut latend om zichzelf als verschrikkelijk lelijk te bestempelen, lomp en vierkant, (‘mijn kikkerlijf, mijn kikkergezicht, mijn kikkerogen’), maar met de steun van Paula, Hoofd Huishouding (‘Pas op voor zelfmedelijden’) en de haar verder omringende, uitzonderlijke karakters in en rondom de jongensschool. De eenzame potjes schaak met haar vader. De stilte in de zomervakanties – de meeste jongens naar huis en het schoolzwembad voor haar alleen. Als opeens een vriendinnetje uit haar vroegste jeugd weer opduikt, de oogverblindende Grace Gathering, opent zich voor Bilzekruid een nieuwe wereld, die van leuke kleding, nagellak en de nieuwe mogelijkheid van jongens: je kunt er verliefd op raken. Zoals op de ‘Begeerlijkste Jongen van de School Onzer Vaderen’ genaamd Jack Rose, ten enenmale ongeschikt voor Bils, dat weet je al direct, en ze weet dat zelf ook wanneer ze hem met een dichtregel om de oren slaat.

Op dat moment in het boek aanbeland viel er ineens een gordijn van een halve eeuw dik in mijn geest weg: daar zat ik opeens zelf als zeventienjarige, in een vliegtuig van Londen naar Karachi, onderweg naar Sri Lanka, met naast mij een naar goedkope aftershave geurende, oudere Pakistani die op sonore toon een gedicht van William Blake reciteerde.


O Rose, thou art sick!
The invisible worm
That flies in the night,
In the howling storm,
 
Has found out thy bed
Of crimson joy:
And his dark secret love
Does thy life destroy. 
 

Ik begreep helemaal niets van het gedicht, ik sloeg wel de tekst ergens op, om die daarna vijftig jaar lang te vergeten, om vervolgens, waar Jane Gardam Marigold tegen Jack Rose laat zeggen: ‘O Rose, thou art sick’ – het gedicht weer op te dreunen. Grote goden, waar was dat begraven, en waarom had ik nooit eerder gezocht naar de betekenis, die nu opeens in bloemrijke kleuren voor me opdaagde: dat Blake het immers had over de corruptie van de onschuld, de parasiet die de schoonheid vernietigd? En wat bewoog die verhipte Pakistaan, precies dat gedicht in een vliegtuig voor te dragen aan een alleenreizend pubermeisje? Hoe kan het dat vergeten fragmenten uit je leven pas na zoveel jaar duiding krijgen? Door het lezen van boeken? Door het lezen van boeken.

Jack Rose is in alle opzichten de verkeerde, hij woont bovendien niet in het door hem voorgespiegelde landhuis, maar met zijn vreselijke ouders in een vreselijke beige tandartsenpraktijk, waar ze gruwelijke gin schenken en waar Marigold ternauwernood en met halsbrekende toeren ontsnapt, waarna een helletocht, zonder geld, met de bus volgt, naar Marston Hall, het échte kasteel, waar een echt lieve jongen woont: Terrapin. Een prachtige beschrijving van zijn eenzame torenkamer, met de hallucinante aanwezigheid van zijn vreemde verzameling marionetten. Terrapin zorgt ervoor dat Marigold haar kletsnatte kleding kan verruilen voor de curieuze jurk plus sabelbont cape van wijlen zijn moeder – waarin ze er volgens mij compleet gothic-steam-punk moet hebben uitgezien. Er komt licht aan het einde van de tunnel, er komt menselijk contact en verlossing uit de eenzaamheid, er komt een ontknoping in de vorm van een beurs voor Cambridge én de jongen Boakes, die, zo blijkt uit de epiloog, een blijvertje is. Als dat coming of age is, dan moet het maar zo.  

Kostschool aan zee
Jane Gardam
Uitgever: Cossee
Vertaler: Gerda Baardman