door Geke Mateboer
Doodgaan aan slokdarmkanker, dat is niet fijn, dat wens je je ergste vijand niet toe. De benauwdheden schijnen buitensporig te zijn, en als er niemand ingrijpt dan stikt de patiënt tenslotte, voorwaar een onaangenaam einde. Maar gelukkig is er de medische wetenschap, de zorghulp, de huisarts die in dat geval weet wat ie moet doen om het drama te verlichten, om het stikken te voorkomen en het ergste lijden te besparen. Vervangend huisarts Levi Levi is zo iemand.
Hij is bekwaam, begaan, meelevend, attent, en uiterst zorgvuldig. Met slaapmiddelen en meer dan voldoende morfine weet hij de mensonterende verstikkingsdood van kankerpatiënt meneer Lenssen (op diens eigen nadrukkelijke verzoek) te voorkomen. En zo kan meneer Lenssen rustig het leven verlaten. En is Levi Levi een held, die door een dankbare familie Lenssen wordt geëerd en bedankt voor zijn zachte hulp. Maar niet heus. Bureaucratie en vals moralisme in de medische wereld, de overheid en het tuchtcollege worden Levi fataal. En mevrouw Lenssen blijkt achteraf toch een beetje al te gretig zijn geweest op de dood van meneer.
Inspectie
Niet veel later bevindt dokter Levi zich op zijn buik in het natte zand, met een knie in zijn nek en zijn handen in de boeien geslagen op de rug, in pijn en verwarring. Hij wordt gearresteerd door de Inspectiedienst van het Ministerie van Volksgezondheid. Want die beschouwt zijn handelen als moord. Hoe krenkend wil je het hebben? Levi’s leven bevindt zich dan al op een tamelijk hellend vlak, z’n huisartsenpraktijk gedegradeerd tot een waarnemerschap, een rottige scheiding achter de rug, hij leeft noodgedwongen in een camper aan zee, met als enige gezelschap de hond Rock, eigendom van de zieke arts wiens praktijk hij waarneemt. Dochter Dylan blijft hem op afstand trouw. Maar echt kénnen doen ze elkaar niet, vader en dochter. En wie is Levi’s vader eigenlijk, die oude chirurg met zijn liefde voor mooie vrouwen en dure schoenen, die ook ziek is en afscheid moet nemen?
Ik lees voor het eerst iets van Wanda Reisel en al lezend besef ik dat ik al te vaak hedendaagse Nederlandse fictie aan mij voorbij laat gaan omdat er in mijn leeservaring in het buitenland veel meer, veel grootser en meeslepender literatuur te vinden is. En hoe het komt weet ik niet precies, het gevoel van verveling, een bij voorbaat schouderophalen, een lichte wrevel – ze zijn me vaak té dichtbij, die Nederlandse schrijvers die tegelijk BN’ers lijken. Herman Koch bij Eva Jinek? Ik had ‘m liever helemaal nooit gezien. De zelfingenomenheid, het smalen over een niet al te positieve recensie over zijn laatste boek… (Thomas de Veen in NRC met één bal voor De Overbodigen) Laat dat boek voor mij dan maar zitten. Geen zin in Kochiaans geweld, in cynisme, in Hollandse kleinheid. Het is een irritatie die bij mij in de jaren ’90 ontstond, toen ik als beginnend redacteur veel schrijversevenementen mocht verslaan. Boekenweekoptredens. Nederlandse schrijvers voor het voetlicht, achter microfoons, in spotlights, in live interviews; altijd had het iets ontluisterends, dat ontmaskeren.
Het liefst zou je willen dat schrijvers voor altijd thuisbleven, achter hun schrijftafel en onbekend. Dat ze geheimzinnig bleven. Dat je ze niet hoefde te ontmoeten. Je wilt hun grachtenpand niet kennen, hun poezen niet, je wilt niet weten wat ze dragen op het boekenbal. Ik vind het heerlijk om niets te weten over Anjet Daanje. Peter de Smet mocht van mij tot in de eeuwigheid anoniem blijven.
Wat telt, is wat ze schrijven en hoe.
Kumbaya
Misschien was het daarom des te verrassender om De krenking te lezen, Wanda Reisel was voor mij een grote onbekende en haar manier van schrijven intelligent, tot de verbeelding sprekend, indringend. Het boek werpt een ongemakkelijk thema op, het bepaalt je bij (je eigen) sterven en bij de ontelbare manieren waarop dat sterven kan plaatsvinden. Hoe zal het jouzelf straks vergaan? Heb je je eigen euthanasie al geregisseerd, hoever ben je daarmee? Of laat je het er op aan komen, je omgeving met de rotzooi zitten, ga je zachtjes creperen in een hospice, laat je zo’n arme huisarts beslissen over palliatieve sedatie, heb je niets geregeld en zet je anderen voor het blok? Wat Reisel aansnijdt is ongemakkelijk, geen gespreksstof voor een feestje, en daarom gedurfd. Ze heeft zich verdiept in het onderwerp, De krenking is nergens ongeloofwaardig. Er wandelen vanuit de marges mooie figuren door het boek, zoals de opdringerige en schilderachtige natuurfreaks Thera en Falco – de laatste een onvervalste ophitser en charlatan, vreemde types als Armpje en Boud, er staat nog ergens een aftandse kernreactor, er is gevaar voor straling dat milieuactivisten – kumbaya zingen ze, godbetert – op de been brengt, die uitstapjes zijn onderhoudend, fris en herkenbaar. Er zijn de meeuwen en de golven, waardoor je je dichtbij zee waant, er is de eenzaamheid, er is een fijne plot. Het is spannend, er zijn de mooie zinnen, de stijl is fijn.
Ik sta hier naakt aan zee met m’n kleren aan maar vanbinnen is alles gescheurd. Ik hou dit nog even vol. En als ik hier wegga is alles voorbij, dan heb ik jou en je huid achter mij gelaten.
Ik begrijp dat Levi Levi al een vorig leven had, ik zoek het op, Nacht over Westwoud moet ik zéker ook gaan lezen om de achtergrond van deze pechvogel beter te leren kennen. Maar dat ‘opzoeken’ – scrollen, surfen, het is nooit zonder gevaar. Natuurlijk komt Reisel uit een artsengezin! En oh, grote goden, ze is bevriend met Herman Koch, ze schreven elkaar brieven. Ze schreven een brievenboek! Wat nu, dit verhaal herschrijven? Schrijven over schrijven, het is ook geen doen.

Atlas Contact