Eerder al schreef kunstenaar Fredie Beckmans op VersTwee over zijn jeugd in Winterswijk, het grote Achterhoekse dorp waar hij werd geboren en waar Piet Mondriaan woonde van zijn achtste. Over zijn blijvende fascinatie voor zijn wereldberoemde vakgenoot gaat het hier. ‘ Wat wil Mondriaan me zeggen? Wat betekent zijn werk voor mij? Elke dag heb ik er een ander gevoel bij.’


door Fredie Beckmans


Beste Redacteur

– grote kans dat ik binnenkort in de Engelse badplaats Brighton beroemder word dan Piet Mondriaan. Grootheidswaan? Nooit last van gehad, voor zover ik weet. Ik woon hier nu al een tijdje, en vorige week werd me gevraagd of ik een interview wilde geven. Dat kwam goed uit, want ik kende nog niemand in de plaatselijke kunstwereld. Wie niet bekend is, wordt ook niet herkend – en ik schaam me inmiddels een stuk minder dan vroeger. Misschien hoef ik na dat interview niet meer drie dagen per week als huisschilder in Londen mijn boterham te verdienen, maar kan ik eindelijk een atelier betrekken.

Mijn vader, mijn peetoom en mijn Duitse grootvader hebben daarboven in het grote schilders-vagevuur vast zitten grinniken. Alle drie hun hele leven huisschilder, en ik begin er met meer dan zestig jaar ook nog eens aan. Nou ja. Gegniffel hoorde ik niet toen de grote dag aanbrak. De interviewster had na een paar vragen al van alles over mijn artistieke escapades omhooggehaald en vroeg toen naar mijn kindertijd – waar ik geboren was. Ik had niet het gevoel dat haar dat veel zou opleveren, maar vooruit. Het is toch mooi om in den vreemde met enige trots te kunnen zeggen: „Winterswijk.”

Winterswijk kende ze niet. Snap ik. De laatste die ze had geïnterviewd was een Pakistaanse wetenschapper aan de Universiteit van Sussex, net buiten Brighton. Die was in Islamabad geboren – dát klinkt, dát heeft gewicht. Ik probeerde het met Winterswijk, de plek waar Piet Mondriaans talent voor schilderen en tekenen voor het eerst wortel schoot. De Britse journaliste vroeg: „Mondriaan who?” Zonder mijn verbazing te laten blijken zei ik dat Mondriaan al bijna honderd jaar een zeer beroemde kunstenaar was in Nederland, Europa, Amerika en de rest van de wereld. Het interview is voor zover ik weet nooit verschenen in de lokale krant The Argus.

‘Dat ik Mondriaan al vroeg leerde kennen – of beter gezegd:
het witte huis aan de Zonnebrink waar hij opgroeide
– is een eenvoudig maar wat beschamend verhaal’


In Winterswijk, mijn geboorteplaats, vraagt men zich waarschijnlijk eerder af waar Brighton ligt en wie ik eigenlijk ben. Mondriaan kent daar iedereen. Dat ik Mondriaan al vroeg leerde kennen – of beter gezegd: het witte huis aan de Zonnebrink waar hij opgroeide – is een eenvoudig maar wat beschamend verhaal. Het huis lag op mijn nieuwe schoolweg naar de basisschool.

Het ging zo: mijn iets oudere buurmeisje en ik, negen en acht jaar, speelden doktertje in de tuin achter ons huis. Heel normaal voor onze leeftijd, toch? Broekje naar beneden, rokje omhoog. Grassprietjes prikten in onze billen. Iemand begon te schreeuwen. En toen het gebrul uit twee naast elkaar gelegen wc-raampjes. Uit het ene raam het hoofd van de buurvrouw, naast haar dat van mijn moeder. Zij schreeuwde „hoer!”, de buurvrouw schreeuwde er schel overheen „pooier!” Mijn buurmeisje en ik hadden die woorden we al eens gehoord, maar wat ze betekenden wisten we niet. Wat we wél wisten: het was tijd om te maken dat we wegkwamen. We doken de struiken achter de schuur in en wachtten totdat de storm was geluwd.

Vanaf die dag mochten we niet meer dezelfde schoolweg nemen. Ik kreeg de weg langs het witte huis aan de Zonnebrink toegewezen, het buurmeisje moest over het oude kerkhof. Het witte huis was destijds een pension. Eind jaren zestig, en juist hadden de eerste gastarbeiders van Winterswijk er hun intrek genomen.

Tegelijkertijd woedde er thuis een ruzie over gastarbeiders. Mijn vader had van zijn werk een jonge Turkse man meegebracht en hem toegestaan bij ons te blijven totdat hij iets eigens had gevonden. Mijn moeder was buiten zichzelf. Nog een eter meer erbij. Nu zaten we met z’n zevenen aan tafel, met veel geschreeuw en gedoe. Ik vond het prachtig, en hij sprak net zulk gebroken Nederlands als mijn Duitse moeder – prima toch. Op een gegeven moment heeft hij ook een plek gevonden in het witte huis.

(tekst gaat onder de foto van Villa Mondriaan verder. Foto: Ziko / Wikimedia Commons)

Het witte huis liet me niet los. Toen ik naar de middelbare school ging, bleek mijn nieuwe school er precies tegenover te liggen. In die tijd noemden we het niet meer „huis” maar „de witte villa”. Misschien klonk dat voornamer, misschien dramatischer – want we zagen hoe het langzaam verkommerde. De gastarbeiders waren weggetrokken en echte Winterswijkers geworden, gelukkig getrouwd, kinderen gekregen. De ramen werden dichtgetimmerd. De villa verloor haar gezicht achter een baard van onkruid.

Tijdens de tekenles hoorde ik voor het eerst dat een van de beroemdste Nederlandse kunstenaars in die witte villa tegenover had gewoond. Dat paste wel, dacht ik. Ik wilde al sinds mijn tiende schilder worden – eindelijk een vakgenoot in Winterswijk! Maar dat viel tegen. Piet Mondriaan was allang dood. In New York verarmd, niets meer, ellendig gestorven aan een longontsteking – terwijl zijn vader hier in Winterswijk een lang en gelukkig leven had geleid als rector van de school voor Christelijk-Nationaal Onderwijs. Zo zei mijn tekenleraar, en hij herhaalde het regelmatig. Waarschijnlijk om mijn artistieke ambities vroegtijdig de kop in te drukken.


Er bestaan geen verkeerde lijnen meer. Misschien is een lijn
verkeerd – maar elke lijn is een uiting van je eigen, door de hersenen
aangestuurde hand die met het potlood iets meedeelt.
Weg met de gum, leve het vrije, gumloze tekenen!



Als ik zeg dat diezelfde leraar elk schooljaar luidkeels uitriep dat de uitvinder van het gummetje beter niet geboren had kunnen worden, dan weet iedere oud-leerling meteen over wie het gaat. Voor het verbod op het gummetje ben ik hem overigens dankbaar. Het neemt je de angst weg om fouten te maken, je kunt gewoon beginnen met schetsen. Elke lijn is onherroepelijk. Geen weg terug. Er bestaan geen verkeerde lijnen meer. Misschien is een lijn verkeerd – maar elke lijn is een uiting van je eigen, door de hersenen aangestuurde hand die met het potlood iets meedeelt. Weg met de gum, leve het vrije, gumloze tekenen!

De tekenleraar liet ons ook afbeeldingen zien van abstracte schilderijen van Mondriaan. Die maakten destijds weinig indruk op me. Mijn familie in Duitsland had voornamelijk boeken met expressionistische kunst in de kast staan, en daarin verloor ik me. Dankzij de kist met oude verftuben en de ezel van mijn vader schilderde ik jong en met plezier veel doeken vol – razende beelden, vloekende kleuren. Totdat een hevige terpentijnallergie roet in het eten gooide. In mijn zolderkamertje, waar ik schilderde én sliep, bleven de ramen vanwege de kou altijd dicht. Acryl droogde sneller, maar glansde minder.

Mondriaan kreeg tekenles van zijn oom in een zwaar christelijke zwarte kousen sfeer in Winterswijk. Bij mij verliep dat minder christelijk, katholiek en eerst nog misdienaar in een nonnenklooster. Frivoler en wilder. Mijn vader riep dat ik niet altijd zulke kleine figuurtjes moest tekenen – groter, veel groter! Dat heb ik gedaan. Maar mijn grote werken, doeken van twee bij drie meter, ben ik tot op de dag van vandaag niet kwijtgeraakt. Zo werd ik tot een jonge Winterswijks kunstenaar zonder veel Mondriaan in het hoofd of in de handen.


‘Zo drongen we niet door tot in Piets slaapkamer.
We wilden terpentijn ruiken, maar we dropen af
langs de regenpijp naar beneden’


En toen zwaaide plotseling de achterdeur open. Ik zat inmiddels op de AKI, kunstacademie in Enschede en samen met mijn kunstmaatje Roland namen we ons voor om eens dieper in het werk van Piet Mondriaan te duiken. Nou ja, in elk geval dieper de witte villa aan de Zonnebrink die toen in de volksmond „Mondriaan-huis” heette. We hadden een Super-8 filmcamera mee, waarmee je drieмinutenlange filmpjes kon draaien. We klommen langs de regenpijp naar boven. Vanaf het balkon filmden we de kerk en de kersenboom – twee vertrouwde motieven van Mondriaan. Jammer alleen dat we geen gereedschap hadden meegebracht. De gebarricadeerde ramen bleven dicht, en zo drongen we niet door tot in Piets slaapkamer. We wilden terpentijn ruiken, maar we dropen af langs de regenpijp naar beneden.

De kersenboom streelden we nog even, omhelsden hem en fluisterden lieve woordjes – dat we misschien de volgende keer met een zaag zouden terugkomen om hem in stukken te zagen en aan Mondriaan-verzamelaars te verkopen. De boom kraakte wat. Ik fluisterde in een tak knoest dat het maar een grapje was. De boom zuchtte opgelucht. De Super-8-film ligt nog ergens – maar wie heeft er tegenwoordig nog een projector?

Kort daarna ben ik – net als de jonge Mondriaan – naar Amsterdam verhuisd. Net als Piet studeerde ik aan de Rijksacademie van beeldende kunsten. Net als Piet werd ik lid van kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae. Hij woonde aan de Kalverstraat, ik aan de Passeerdersgracht. Beiden deden we mee aan de jaarlijkse prestigieuze wedstrijd voor jonge, talentvolle schilders: de „Koninklijke Prijs voor vrije schilderkunst”, al sinds 1871 uitgereikt.


‘Hij en zijn schilderijen zijn wereldberoemd, zijn werk
vrijwel onbetaalbaar. Het mijne is nog altijd voor
een habbekrats te krijgen’



Niet alles verliep hetzelfde voor de vakgenoten uit Winterswijk. Ik mocht die prijs in 1983 in ontvangst nemen uit de handen van Koningin Beatrix. De volgende dag stond er in de NRC Handelsblad: „Wie zijn toch deze punks die door het Koninklijk Paleis slenteren?” Met een toon van afwerende verbazing, en er werd zelfs een vergelijking gemaakt met Max Beckmann. Piet viste achter het net – geen prijs voor hem. En eerlijk gezegd: er zijn ergere dingen. Hij en zijn schilderijen zijn wereldberoemd, zijn werk vrijwel onbetaalbaar. Het mijne is nog altijd voor een habbekrats te krijgen.

Ik schrijf dit achter mijn keukenraam in Brighton, met uitzicht op een woedende zee die drie dagen geleden twee dronken jongens van het strand voor mijn huis het water in trok en ze een dag later weer uitspuwde. Dood en verdronken. Brighton Rocks.

Het ligt waarschijnlijk in de aard van veel kunstenaars om een heel leven onderweg te zijn. Zo denk ik terug aan die tijd dat ik in Winterswijk, net buiten het dorp, de Bataafse molen schilderde. Piet schilderde meer in het dorp zelf, zijn rug naar het oude kerkhof, als motief de Jacobskerk met enkele takken van de kersenboom ervoor. Ons talent zat nog in de knoppen. Pas toen Piet van de Zonnebrink en ik van de Plataanlaan naar Amsterdam vertrokken, ging er een schakelaar om. We hebben ons talent niet begraven, niet aan duivel of media verkocht. We hebben hard aan ons werk geslepen en vooral: ruggengraat getoond.

Daar in Amsterdam heb ik me pas echt met Mondriaans werk beziggehouden. In die jaren wervelden ontelbare vragen door mijn kunstenaarshoofd. Had Mondriaan de schilderkunst ten einde geschilderd – met name de abstracte? Wat zouden jonge kunstenaars na Mondriaan nog kunnen scheppen als ze abstract wilden blijven schilderen? Daarbij vergaten we grootmoedig Karel Appel, die na Piet ook abstract schilderde – maar dat was zwaar realistisch onweer in vrolijke kleuren.

(tekst gaat verder onder het schilderij.
Fredie Beckmans. Titel: Piet Mondriaan portret. Collectie Wim van Krimpen
)

Met mijn jaargenoten aan de Rijksacademie probeerde ik ook Piets teksten te lezen. Helaas onleesbaar. Veel te overladen. Begrijpelijk eigenlijk, want hij was een anarchistisch theosoof – of het tegendeel daarvan – en wij waren pacifistische, ongelovige post-punks. Dat Mondriaan iets anders nastreefde dan de werkelijkheid afbeelden, dat zagen en begrepen we wel. We riepen dan terug dat Wittgenstein had gezegd: waarover je niet kan spreken, daarover moet je zwijgen. En nog luider schreeuwden we Schopenhauers credo: „Het ergste staat ons nog te wachten!” Al zijn teksten heb ik in een boekje van Jan Bor in de kast: ‘Mondriaan, Filosoof’. Zal ik het nog eens proberen?

Zijn schilderkunst ging er daarentegen in als Gods water over Gods akker. Hij behandelde het schilderen als een echte intellectueel – net zoals wij. Het was niet langer nodig om als kunstenaar foto’s na te schilderen. De beroemde Hollandse schilder Breitner deed dat altijd: hij fotografeerde het Amsterdamse stadsleven en schilderde de foto’s thuis na. Als mensen of huizen maar half in beeld waren, schilderde hij ze ook maar half. Revolutionair, nieuw – rond 1900. Maar Mondriaan liet dat ver achter zich. Hij wilde de gefotografeerde werkelijkheid niet meer naschilderen. Hij wilde ook niet meer zoals Van Gogh buiten in de brandende zon zitten. Hij gooide de camera weg en sloot de deur van zijn atelier voor wat erbuiten gebeurde. Hij liet lijnen, vlakken en kleuren voor zichzelf spreken – en tot leven komen. Een kleurenpalet werd vrijwel overbodig. Piet wilde geen kleuren meer mengen, alleen nog zuivere, ongemengde kleuren gebruiken.

Kennelijk bestond er vlak na de Eerste Wereldoorlog een enorme behoefte daaraan. Techniek, moderne kunst, film – en ook pornografische teksten – sloegen in die tijd hoge golven. Toch zijn de meeste kunstenaars na Mondriaan weer andere wegen gegaan. Neem Max Beckmann, die schuin tegenover de kunstenaarsclub Arti et Amicitiae in Amsterdam woonde en lang over mijn schouder meekeek terwijl ik schilderde. Mijn overoverovergrootvader heette trouwens ook Beckmann en vluchtte tijdens de Duits-Franse Oorlog van 1871 naar Nederland. Op het gemeentehuis van Winterswijk maakte een ambtenaar van de laatste „n” een „s” – en zo ontstond er een echte Nederlandse achternaam: Beckmans. Als je Beckmanns schilderijen bekijkt, voel je een expressieve kleurenstorm over het land razen. Grote mythologische voorstellingen, politiek geladen én bizar tegelijk.

Voor mij was Beckmann pre-punk: grofheid, Nietzsche en Wagner in één explosieve mengeling. Zelfs zijn prachtige bloemstillevens voelen aan alsof iemand je een vuistslag in het gezicht geeft – of de bloemenvaas met inhoud naar je hoofd slingert. Een daverende klap. Mondriaan is meer Immanuel Kant: een strenge filosoof van de rede. Kant beweerde ooit dat zien en horen objectieve waarnemingen zijn. Ruiken en proeven daarentegen subjectief. Voorbeeld: als ik een pot pindakaas laat zien, zijn we het er allemaal over eens dat het een pot pindakaas is. Laat ik ze proeven, zegt de een „lekker”, de ander „vies”.


‘Kant past precies bij Mondriaan: wat men ziet is een beeld –
wat men ervan denkt mag men zelf beslissen’



Als ik dit schema op een schilderij van Mondriaan toepas, gebeurt er iets wonderlijks: zien blijkt plotseling een subjectieve waarneming. Mondriaan heeft met veel inzicht en precisie witte vlakken en zwarte lijnen op een doek aangebracht. Je begint langzaam iets te zien – en je voelt ook iets. Maar om je heen hoor je alleen: „Oh, wat mooi!” aan de ene kant, „Oh, wat lelijk!” aan de andere. Bij Mondriaan stappen de kunsthaters direct op je voet. Volgens Kants wet van de objectieve waarneming is wat daar hangt een schilderij. Daarna lijkt het alsof iedereen het ding op zich kan „proeven”: de een zegt dat het eruit ziet als een omgevallen Legodoos, de ander wordt helemaal lyrisch van het spel van zwarte lijnen op witte ondergrond. Kant past precies bij Mondriaan: wat men ziet is een beeld – wat men ervan denkt mag men zelf beslissen.

Buiten op het strand stijgt een man, hangend aan een vlieger, op – hij zweeft net boven de zee. De zee grijpt naar hem, af en toe trapt de man naar de golven. De zee krijgt hem niet te pakken – en waarom trapt de man eigenlijk tegen de zee? Lang kan dit gevecht niet meer duren, want het wordt donker. En nu ik er langer naar kijk, vraag ik me af: is dit werkelijk wat ik zie? Als vechten en spelen zo sterk op elkaar lijken – wat wil Mondriaan me dan zeggen? Wat betekent zijn werk voor mij? Elke dag heb ik er een ander gevoel bij.

(onder het schilderij gaat de tekst verder.
Fredie Beckmans. Titel: Piet Mondriaans hond met worsten. collectie Harry Anderson)

Zo peins ik over het witte huis in mijn geboorteplaats, gezien vanaf “the White Cliffs of Brighton”. Het witte huis staat er nog. Een paar jaar geleden werd het heropend als museum Villa Mondriaan, met niemand minder dan Wim van Krimpen als directeur. Waarom ik je dit allemaal schrijf? Ik was de afgelopen tijd een paar keer in Winterswijk en heb de in hoog tempo elkaar opvolgende junior-directrices en tijdelijke opvolgers gesproken: de jongste museumdirectrice van Nederland werd opgevolgd door een nog jongere. Nobel? Nee, het is goedkoper en als ze goed zijn worden ze weggekocht. Elke aanbieding naar mij toe om er wat te doen was door de opvolger alweer vergeten. Terwijl ik dit hier schrijf is er per april een nieuwe directrice aangenomen, Marieke de Jongh. Heb haar net over de telefoon gesproken. Ze doet niet mee aan de race van jongste directrice van Nederland en heeft beloofd wat langer aan te blijven, hoera. Een mooie herinnering bewaar ik wel aan de ad-interim directeur Joris (25 jaar). Heb hem mijn serie ‘Hond met Worst’-schilderijen laten zien op mijn iPhone. Hij reageerde direct. Waarom schilder je niet de hond van Mondriaan na? Piet heeft ooit in opdracht een sint-bernardshond geschilderd, de Isar Harlemia. Zo gezegd zo gedaan. Wilde hem aan Joris laten zien maar een Amerikaanse verzamelaar in Genève zag het schilderij van hond met worst eerder voorbijkomen en sloeg aan. Verkocht.

Jouw kunstbroeder,

Fredie Beckmans