Fredie Beckmans is kunstenaar, kok, schrijver en kenner van natuur, met name vogels, en filosofie. Hij is geboren in Winterswijk, waar hij opgroeide in een nonnenklooster. Tweetalig opgevoed schrijft hij vaak in het Duits. Dit autobiografisch getinte verhaal vertaalde hij op verzoek van Vers Twee zelf in het Nederlands.
door Fredie Beckmans
„De mens wordt vrij geboren, en overal ligt hij in ketenen.“
— Jean-Jacques Rousseau
Als baby werd ik vrij geboren, nog helemaal onwetend, en nauwelijks was ik er, of ik werd al achter tralies gezet. Het is geen levendige herinnering aan de allereerste kinderjaren – eerder iets dat zich inbrandt zodra je kunt kruipen en de omgeving begint waar te nemen. De opklapbare kinderboks met zijn houten spijlen stond jarenlang onverzettelijk in de woonkamer, tralies van hout die het kinderleven binnen de lijntjes houdt, eigenlijk zag ik daar al dat ik later buiten de lijntjes wilde schilderen. Zie de spijlen nog altijd voor me, ruik de licht muffe geur van het hout, herinner me hoe het licht langs de randen schampte en slagschaduwen. Daarna mijn jongere broer, mijn zus en jaren later het nakomertje – één voor één trokken we door die kleine, begrensde wereld. Die optocht maakte de herinnering onuitwisbaar; misschien is dat de reden dat ze me tot vandaag begeleidt. Als zulke kinderboksen nu nog bestonden – wat een troosteloze absurditeit. Welkom in mijn wereld van wat steeds weer open gevangenissen bleken, waar vrijheid, nabijheid en liefde toch weer in hekwerken van kippengaas wordt geplaatst.
(tekst gaat verder onder de foto)

als voormalige gevangeniskok, met een koksmuts waar ik
ooggaten in had geknipt, zodat ik leek op een gemaskerde bankrover’
Mijn eerste heldere herinnering aan gevangenschap, de voor altijd ingebrande herinnering, begint toen ik zeven jaar oud was. Mijn jongste broer kreeg hersenvliesontsteking; de tijd was doordrenkt van zorgen en wierookdampen. Mijn moeder nam me mee naar de kapel van het klooster, niet ver van ons huis; daar hing altijd de geur van gewijde hars en mirre in de lucht, warm en sussend. Kaarsen flakkerden, en we mompelden de gebeden van hoop dat het weldra beter met hem zou gaan. Tijdens een moment van plotselinge vertwijfeling of berekende hoop klampte mijn moeder een van de binnenkomende nonnen aan: als de kleine zou genezen, zo beloofde ze, dan zou ík priester worden. De beloofde heiloptie bleek al gauw een nuchtere berekening: mijn moeder heeft nadat mijn broertje het heeft gehaald, mij aan het klooster “afgegeven”. Zo stond ik twee jaar later, verbaasd en bevend van onbegrip, bij de poort van de orde. Twee zusters heetten mij welkom en zeiden dat ik als misdienaar zeer welkom was — alsof dat een verheven verlossing was, en niet gewoon de plaatsing van een kind in de hoede van gesloten ruimtes, een open gevangenis.
Vier jaar bracht ik daar door, opgehokt in de orde van het klooster; in veel opzichten leek het op een jeugdgevangenis, alleen met vromere rituelen. Zo nu en dan voelde het als werk waarvoor je een kleine beloning kreeg: voor elke non die stierf — een ongelofelijke beloning — kreeg ik twee euro vijftig cash en een ochtend vrij van school. Dan werd ik in misdienaars gewaad samen met een klooster broeder in een taxi naar de begraafplaats gereden; we liepen om de kisten heen, de priester besprenkelde de kist met wijwater en ik volgde hem, zwaaiend met een rokend wierookvat, alsof ik een radertje was in een processie machine. De eerste keren zijn onwennig maar al snel wordt het een herhaling van zetten, alsof je aan het dammen of schaken bent. Afhankelijk van het weer met steeds mooiere uithalen en danspassen. Maar de drang naar het priesterschap verdween; op mijn twaalfde verloor ik mijn geloof. De muren die eerst bescherming boden, werden voor mij hekken, sneed de spijlen met een tang open. Ik vluchtte uit het klooster en keerde er nooit meer terug; mijn moeder heeft me dat vertrek nooit en te nimmer kunnen vergeven.
Mijn vader koos een andere vorm van opvoeding, een harde variant van voorzichtigheid. Het zachtste geluid, een iets te uitbundige lach – en ik werd naar beneden gestuurd, de kelder in. Daar lag een berg aardappels minstens tweehonderd kilo, de gedeeltelijke oogst van onze aardappelboer, bijna genoeg voor de hele winter. Op een paar aardappelzakken mocht ik gaan zitten, alsof ik over mijn vermeende misstappen moest mediteren: te hard gezongen, te dilettantisch getekend. De kelderlucht, ik hoef er maar aan terug te denken en ruik hem. Mijn vader, letterschilder, aquarellist en een man met een fijnzinnig maar compromisloos oog, vond mijn tekeningen bijna altijd onvoldoende. Ik hield er gelukkig geen diepe psychische wond aan over, maar die kleine arrestaties leerden me wat het betekent om in een huis onder toezicht te staan: de deur viel dicht en ik zat in een andere ruimte, afgesneden van de lichtheid van de kindertijd. De planken in de kelder herbergden een andere fascinatie: de potten met zelfgemaakte appelmoes van mijn moeder stonden er in strak gelid.
Daarachter verborgen zich de cadeaus die mijn ouders bij bijzondere gelegenheden hadden gekregen. Zo kwam het dat een naast familielid, die als schoonmaakster in een sekswinkel werkte, het enige paleis van ondeugd in ons dorp en wijde omgeving een rol had die iets verfrissends had en tegelijk iets verleidelijks. Wat ik toen nog niet wist was dat er achter de gordijnen in die winkel een verborgen wereld lag van wat we nu kennen als peepshow, bordeel en bovenal viezigheid, gore kwakken op de vloer, taaie resten Die sekswinkel, ik wil me niet voorstellen wat voor resten ze daar dagelijks van de vloer moest schrobben. In de late jaren zestig hadden alle seksshops ook tijdschriften te koop. Maar wel met een uiterste houdbaarheidsdatum: de oude, aanstootgevende bladen moesten worden vernietigd zodra de nieuwe kwamen. Maar in plaats van vernietiging voorzag zij de familie van de verboden blaadjes; de tijdschriften werden op kinderfeestjes uitgedeeld — vanzelfsprekend pas wanneer wij kinderen al in bed lagen. En waar verstopten ze de vieze boekjes? Achter de appelmoes, in de kelder, op een plek waar ik uren mocht doorbrengen, moest nadenken over mijn zonden, maar stiekem in een andere wereld verdween. Daar haalde ik mijn “leesboeken” tevoorschijn vanachter de appelmoes, bekeek wellustig de plaatjes met een fascinatie die zich later misschien in andere vormen zou verplaatsen naar een meer lichamelijke ontplooiing. De aardappelkelder, mijn kleine gevangenis voor onbepaalde tijd, hield me niet tegen; met de honger en nieuwsgierigheid van een kind verdiepte ik me in de pagina’s van de tijdschriften, zoals jonge mensen vandaag porno websites aanklikken, braaf bevestigen dat ze achttien-plus zijn, en zich dan in de geïsoleerde wereld van het beeld storten.
In mijn jeugd was ik korte tijd lid van de padvinders — een jeugdzonde. Het paste gewoon niet bij mij. Tijdens een feestelijke bijeenkomst werd besloten een avondwandeling te maken. In het diepe donker van de nachtelijke boswandeling bonden de andere jongens mij opeens aan een boom, lachten en liepen weg. Ze beloofden later terug te komen. Uit de schaduwen kraakte en knisterde de begroeiing, mijn fantasie schilderde gestalten, donker en loerend. In paniek rukte ik mij los en vluchtte zonder licht door het struikgewas terug naar het clubhuis. Grote angst dat achter elke struik een kwaad mens tevoorschijn zou komen. Wat is eenvoudiger in de nacht om een gemene streek uit te halen? Wat een feestelijk gebeuren om een kind aan een boom te binden en alleen achter te laten — dat ging over een grens. Ik zegde mijn lidmaatschap op en vond uiteindelijk rust bij de lokale afdeling van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie: vogels kijken, paddenstoelen zoeken, alles akribisch noteren. Daar voelde ik me thuisgekomen, alsof ik uit een gevangenis ontsnapte waarbij het padvinderlijke gemeenschapsgevoel mij eerder als een soort driedubbele ketting de borst had afgekneld.
De eerste ontmoeting met een echte gevangenis was bijna spectaculair terloops. Aan het eind van de schooltijd, kort voor mijn meerderjarigheid, bezocht ik een eindexamenfeest; bier stroomde vrij, lachen vulde de lucht. Later werd ik uitgenodigd voor een afterparty, waar wijn en gezang de nacht vulden. Een uitgelaten dans, een botsing, en ik voelde een felle pijn: mijn neus leek gebroken. De vader van de gastheer, een evangelische predikant, keek me bezorgd aan en gaf me een halfvol glas jenever van veertig procent. “Drink, dan wordt de pijn lichter,” zei hij. Het was slechte raad. Na een half uur kon ik nauwelijks nog staan; een vriend hees me op zijn brommer en we reden door donkere straten, tien kilometer tot aan de rand van mijn dorp. Bij mijn gestalde fiets ging ik uitgeput zitten en viel in slaap. Al gauw werd ik ruw overeind getrokken; twee agenten hielden me vast en besloten dat het ontgiften van mijn lichaam het beste op één plek kon gebeuren – in de cel. Gearresteerd wegens dronkenschap, nog geen achttien jaar oud. Maar toen ik de agenten toefluisterde dat mijn vader net uit de psychiatrie was ontslagen en mij thuis alleen geweld zou aandoen, toonden ze een menselijk soort vernuft: we stonden welgeteld een seconde op de drempel van de cel of we draaiden ons alweer om. Ze zetten me af in de buurt van mijn huis en bleven staan tot ik achter de voordeur was verdwenen. De volgende ochtend bevestigde de pijn in mijn neus het vermoeden: een breuk, een herinnering die nog lang zou nawerken.
De roes van de alcohol werd langzaam door een andere roes vervangen: politieke betrokkenheid. Ik ging naar de kunstacademie in de stad en werd lid van de communistische partij — onder één voorwaarde: ik weigerde bij de poort van een fabriek kranten te verkopen. Met mijn lange haar, gescheurde broek en sandalen zonder sokken paste ik nauwelijks in het beeld van het partijkader. Was ik communist? Misschien eerder een utopist, een dromerige strijder met weinig levenservaring. Op een dag en vol overtuiging schilderden we leuzen op muren; we plakten posters aan de palen van verkeerslichten, in de hoop dat wachtende automobilisten onze boodschappen zouden lezen. De politie verscheen; mijn kameraden vluchtten. Ik bleef. En werd al snel zonder enige ondervraging gevangen gezet, meer een dichtgemetselde wc dan een cel, zonder raam, ijskoud. Alleen wachtend sloeg mijn hoofd op hol in mogelijkheden: vluchten, stoer zijn, mijn eigen domheid maskeren. Maar na een uur ging de deur open: twee kameraden kwamen glimlachend binnen en namen me mee. Met een vervalste brief, in elkaar gezet uit een officieel schrijven van de burgemeester, haalden ze me op. Van de gevangenis naar het partijbureau — een wissel van de ene benauwdheid naar de andere, alleen was de nieuwe benauwdheid gevuld met ideologie. Later vermoedde ik dat sommige van mijn bevrijders best eens undercoveragenten hadden kunnen zijn; ik bleef wantrouwig. Ik was nog niet klaar voor de barricadestrijd; mijn toekomstmuziek was die van de kunst, niet die van de fabriekswoede.
Jaren later en inmiddels fulltime kunstenaar maakte ik een wandeling aan de rand van Keulen. Was onderweg in Duitsland voor een aantal optredens met cello en electronisch versterkte bijl. Postpunk gecomponeerde Neue Musik zoals dat toen heette. Tijdens de wandeling in een weids uitdijend park kwam ik een meisje tegen, hartstikke roodharig. Ze zat achter tralies toen ik haar opmerkte. Al gauw kwam ze naar me toe en begon wild te springen en te gebaren. Bloot nota bene, heel harig en direct oogcontact. Bedacht dat ik nog een stuk bruin pakpapier in mijn tas had. Haalde het tevoorschijn en schreef met een potlood: hoe heet je? Vouwde het papier en mikte het over de tralies naar haar. Ze gilde en greep naar het papier, ontvouwde het en rook er aan. Daarna verfrommelde ze het papiertje en gooide het terug over de tralies. Ik ontfrommelde het stuk papier en begon ook te ruiken. Het papiertje rook heel intens naar lichaamsgeur, wellicht een vleugje boterzuur? Diep inhaleerde ik nog een keer, vouwde het papiertje en gooide het terug over de tralies. Ze greep het uit de lucht en begon eerst te ruiken. Trok het uit elkaar en wreef het met enige kracht in haar zwaar behaarde schoot. Haar vader en moeder die een stuk verder op onder een boom zaten begonnen nu te schreeuwen dat we moesten ophouden met ons gedoe. Ze gooide het papiertje nog wel snel terug over het traliehek. Ik rook en glimlachte naar haar. Thuis heeft de lade waarin ik de briefprul bewaarde nog maanden lang naar het orang-oetan meisje geroken.
Uiteindelijk kwam ik uit bij de oprichting van de «Worstclub». Een absurd zelf bedacht project, een performance: ik trad op als voormalige gevangeniskok, met een koksmuts waar ik ooggaten in had geknipt, zodat ik leek op een gemaskerde bankrover. Onherkenbaar in de keuken hanteerde ik warme en koude worst, texturen en temperatuurwisselingen, telkens een ironische toespeling op de groteske zelfenscenering van kunst en leven. De Worstclub was mijn antwoord op het idee van Karl Rosenkranz in zijn Ästhetik des Hässlichen: goede kunst gedijt waar het slechte royaal de overhand heeft, een groot weiland vol met gras, de saaie kunst, hier en daar staat een zonnebloem te schitteren, de briljante kunst. Mijn doel was de steriele gevangenisesthetiek van de moderne musea uit te dagen, de schoonheid te verstoren die in museale depots eerder als een kunstkerker werkt. Mijn performances waren provocerend, ze daagden smaak en conventie uit. Hierbij een van mijn gedichten — voorgedragen in de stoom en vetspetters van die toneelkeuken, tussen heet en koud, tussen hard en zacht, druipend en verschrompelend — kreeg het een plek op papier en daarna voor publiek, en waarbij ik me als voorzitter van de Worstclub voordeed als voormalige gevangeniskok.
Aan de bakworst
In de lik telt geen goud, geen glans,
alleen en tijd genoeg voor een solo dans.
De vrijheid buiten – ver en vaag,
stiekem verstopt mijn tralie zaag.
Maar ’s middags komt een kalme troost,
als uit de kerker keuken vettige toast
met gebakken worstlucht, totaal zonder glans –
op mijn tong die een smerige ontuchts twist danst.
Nu eens leverworst, dan weer vlees in vel,
niet altijd warm, niet altijd wel.
Maar eerlijk, achter de zware muur,
is elke worst een bonbon van spetter vuur.
De bewakers kijken alsof het een schat is,
de blikworst op mijn servies.
Een lik vet en een hap verstand –
zo smaakt de bakworst uit mijn hand.
Het is niet zo vreemd dat ik na zo’n slecht gedicht het woord liet vallen en uiteindelijk illustrator ben geworden bij het blad Bonjo. Nooit van gehoord? Een krant met een oplage van 10.000 exemplaren, waar zijn jullie allemaal geweest de afgelopen jaren? De Bonjo is een krant voor alle pakweg 10.000 Nederlandse gedetineerden, met nieuws en achtergrondverhalen en tekeningen en foto’s en veel reclame voor strafadvocaten. Die moeten tenslotte ook ergens van leven en zijn de grootste sponsoren van het tijdschrift. Mocht iemand ooit in het gevang geraken: schroom niet en lees de Bonjo.
*Deze Künstlerbrief verscheen in het Duits op https://textor.online. Vertaling: Fredie Beckmans.
*Objecten en prenten van Fredie Beckmans zijn nog tot en met 29 maart te zien in Stedelijk Museum Almelo als onderdeel van de tentoonstelling Koekoek, vogels in de kunst.