Woensdag 1 april begint de Maand van de Filosofie. Roxane van Iperen heeft het jaarlijkse essay geschreven en dat ligt al in de boekhandel: Ik zie wat ik geloof. Op het Indie Uitgevers Festival werd ze daar, in januari al, door Marli Huijer, Denker der Nederlanden 2015-2017, over geïnterviewd als introductie voor met name boekhandelaren. VersTwee liet een bandje meelopen en publiceert een tweetal fragmenten. ‘Het is meer menselijk, dit essay.’
door Theo Hakkert
Aan het begin van het gesprek gaat het over het gezin van Roxane van Iperen en hoe iedereen daar ’s morgens aan de ontbijttafel al meteen in hun scherm duikt en daarmee in ieders eigen, persoonlijke werkelijkheid of de beleving daarvan, die hen wordt opgedrongen door Big Tech en hun algoritmes. Er is dan nauwelijks een gedeelde werkelijkheid, al heeft het wel die schijn.
‘We moeten een nieuw Wij creëren,’ klinkt het.
Het concrete: elkaar ontmoeten
Roxane van Iperen zegt dat ze hier een concreet en een abstract idee voor heeft: ‘Wat we hebben gezien is dat in de afgelopen dertig jaar alle vormen van publieke ruimte zijn wegbezuinigd, de fysieke ontmoetingsplaatsen. Tijdens corona hebben we gezien dat mensen dat het allerergst vonden. Om elkaar niet meer te zien, niet meer te voelen. Dan zit daar wat mij betreft een heel krachtig middel om mensen iets te bieden wat AI absoluut niet kan bieden. Ook al denken mijn kinderen dat ze een hele grote community online hebben, uiteindelijk waar ze blij van worden, waar ze steviger van worden, waar ze leren emoties te lezen bij anderen, waar ze weer kracht op doen – dat is toch in die ontmoetingsruimte.
‘Maar wat heeft mijn generatie gedaan? Onze generaties, die hebben die ontmoetingsruimte helemaal uit het dagelijks leven weggestreept. Ik moest daarbij ook naar mezelf kijken. Ik ben daar een voorbeeld van. Ik heb me ook bijna helemaal teruggetrokken uit de publieke ruimte of uit gemeenschappen.’
Het abstracte: AI vreet zichzelf op
‘Dat is een beetje het concrete wat ik uitwerk. En dan het abstracte. We kunnen denken: AI is een soort doemwolk die boven ons hangt. Iedereen heeft het erover, alle banen gaan verdwijnen… Wie heeft nog schrijvers nodig, wie heeft nog uitgeverijen nodig of alles wat met de diensten te maken heeft? Maar je kunt het ook omdraaien, want dat is ook waar. AI draait op menselijke intelligentie en niet andersom. Dus AI kun je zien – zo leg ik het altijd mijn kinderen uit – AI kun je zien als een blender waar een aantal ingrediënten van de menselijke ziel, het menselijke intellect, de menselijke emotie ingegooid worden. Maar in principe is datmaar een heel klein gedeelte van de kennis die we hebben. Als je kijkt naar het hele internet, dan kun je misschien zeggen dat vanaf de jaren 90, 2000 de kennis er misschien in zit. Maar dan kijk je dus ergens door de brievenbus naar de menselijke ziel. Alle archieven, alle lokale gebruiken. En dan gaat het ook nog eens vooral over westerse kennis die erin zit. Engelstalig ook vooral.
‘Dus het is een fragment van wie wij zijn en wat onze geschiedenis is, wat daarin zit. Het sapje dat uit die blender komt, is ten eerste rabarber, komkommer en avocado, terwijl we een hele jungle aan ingrediënten hebben die ons intellect en onze ziel samenstellen.
En ten tweede, AI is zichzelf aan het opeten. Dat vind ik ook een hele positieve ontwikkeling in die zin. Het sapje wordt steeds meer gebaseerd op zichzelf. Dus wat heel veel mensen zich niet realiseren is dat de kennis die AI op dit moment genereert voor een groot deel wordt gevoed door AI-gegenereerde modellen.’

Een essay vanuit de dagelijkse ervaring
Marli Huijer vraagt aan het eind van het gesprek: ‘Wat is het nieuwe van dit essay binnen jouw werk? Wat heeft dit essay jou aan nieuwe inzichten gebracht?’
Roxane van Iperen: ‘Het is natuurlijk al lastig om over jezelf te praten. Een aantal dingen. Ik denk dat het voor het eerst is dat ik niet alleen maar meer de systemen bestudeer, een beetje op macro niveau, maar dat ik echt voor het eerst helemaal op mensniveau afdaal. En daarin vind ik dat je ook jezelf moet meenemen. In het hele essay gaat het dus ook over mezelf als mens. En het feit dat ik alles wat hierin staat, dat ik daar deel van ben. Deel van die hele ontwikkeling. Mijn kinderen zijn de digital natives. Die heb ik helemaal zo laten opgroeien. Ik heb dat helemaal niet slim gedaan. In die zin dat ik daar helemaal in mee ben gegaan.
‘Het schrijven van een essay is schrijvend nadenken over dat onderwerp. Dus ik kom ergens op het einde tot de conclusie dat het grootste antidote tegen al deze ontwikkelingen is dat we die oefeningen samen doen. Dus dat de lezer met mij deze denkoefening van A tot Z maakt. Ik vond ’t het minst – hoe moet je dat zeggen? – het minst hoogdravende essay op de een of andere manier.’
Wat door Marli Huijer wordt beaamd: ‘Jouw andere essays zijn behoorlijk intellectueel. En dit is veel meer ook vanuit de dagelijkse ervaring. En je antwoord is ook veel dichterbij. Het is meer menselijk, dit essay. Dus dat vond ik er heel erg mooi aan. Fijn.’
Roxane van Iperen: ‘Dat is namelijk ook wel iets wat ik heb gewild. Om dat meer te doen in mijn werk. Wat ingewikkeld is, maar waar voor mij ook wel het nieuwe ligt.’
Roxane van Iperen: Ik zie wat ik geloof. Big Tech als architect van de nieuwe werkelijkheid. Essay voor de Maand van de Filosofie.
Uitgave van uitgeverij Pluim in opdracht van Stichting Maand van de Filosofie.