De eerste roman van David Foster Wallace
zette de toon voor hoogst origineel oeuvre


Dossier DFW 3


Om het met Tommy Wieringa te zeggen: dit zijn de namen.
Stonecipher LaVache Beadsman IV, Norman Bombardini, Melinda Susan Metalman Lang en Ugolino the Significant.
Deze laatste werd ook Vlad, the impaler genoemd. Ugolino dan wel Vlad, het maakt niet uit. Belangrijker is: hij is een papegaai.
En Stonecipher LaVache Beadsman IV? Hij is geboren met een kunstbeen.

Wat de uitbundigheid betreft van de namen in David Foster Wallace’s debuutroman uit 1987 The Broom Of The System, heeft het hoofdpersonage nog getroffen met haar in vergelijking eenvoudige naam: Lenore Beadsman.
Ook haar professie is eenvoudig: ze is telefoniste, zo een die ze in de VS ‘operator’ noemden, laten we zeggen schakelbordmedewerker. Jim Croce en Dr. Hook & the Medicine Show zongen er liedjes over. ‘And the operator says: 40 cents more for the next three minutes’.
Haar schakelbord staat in een uitgeverij. Haar vriend en baas Rick Vigorus heeft ook een hoofdstuk geschreven in deze roman.

Mooi beeld trouwens, zo’n schakelbord. De telefoonkabels fungeren als verbindingen tussen de verhalen. En Lenore hoeft de stekker maar in een ander contact te steken of andere verhalen gaan met elkaar in gesprek.


Het zijn namen die er op voorhand op duiden dat dit wel eens een roman met humoristische trekjes zou kunnen zijn, een satire, een parodie. En dat is het allemaal, maar – en dit is ook een voorbode – het is ook een roman met serieuze onder-, tussen- en bovenlaag. Vol filosofie. De roman komt voort uit DFW’s toenmalige fascinatie voor Ludwig Wittgenstein. Jaren later zou hij zeggen dat het boek een discussie is tussen Wittgenstein en Derrida.

Taal staat op allerlei niveaus centraal. Op het filosofisch niveau draait het Wittgenstein’s denkbeelden over de relatie tussen het woord en het ding dat ermee beschreven wordt. In zijn DFW-biografie wijst D.T. Max op deze zin uit Wittgenstein’s Tractatus Logico-Philosophicus, de eerste zin van het Voorwoord: ‘Dit boek zal misschien alleen iemand begrijpen, die de gedachten welke erin uitgedrukt zijn – of soortgelijke gedachten – zelf al eens gedacht heeft.’ (vertaling: W.F. Hermans).

Deze zin uit hetzelfde Voorwoord is al net zo van toepassing: ‘De grens zal (…) alleen in de taal getrokken kunnen worden en wat over de grens ligt, zal doodeenvoudig onzin zijn’ (idem). De grens tussen de Wittgenstein-laag en de onzin, die ik in het geval van de roman eerder nonsens zou noemen, is flinterdun – wat op zich al knap is.

In een breed aantal stijlen en vormen vertelt DFW een absurd verhaal, of beter: absurde verhalen. En verhalen in verhalen, zoals hoofdstuk 15, getiteld Love, dat is gezet in een andere letter en feitelijk buiten elke vertellijn valt. Zo zijn er meer voorbeelden.

Hoofdstuk 4 speelt in 1972 (in het boek is het 1990, met sprongen naar 1981) en is het transcript van een gesprek tussen de gouverneur van Ohio en onder anderen Ed Roy Yancey, vice-president van Industrial Desert Design. De gouverneur vindt dat het te goed gaat met de staat, er moet een stuk onontgonnen land komen om de bevolking eraan te herinneren hoe Ohio is voortgekomen uit een wildernis. En ze besluiten een woestijn aan te leggen. The Great Ohio Desert. Waarop de gouverneur zegt: ‘Joe, a super name. I take my hat off to you. You’ve done it again. Great. It spells size, desolation, grandeur and it says it’s in Ohio’. Een tv-sketch.

Een heel conglomeraat aan stijlen komt langs. Met de kracht en macht van taal als constante. Zo worden Lenore Beadsman, niet de schakelbordoperator maar haar gelijknamige grootmoeder, talige krachten toegedicht die maken dat de personen met wie ze in een verzorgingshuis woont haar blindelings zijn gevolgd. Ze zijn namelijk verdwenen. Als we haar vinden, vinden we de rest, hoopt directeur David Bloemker (wat een gewone naam). En bij Lenore hoopt hij ook het personeel terug te vinden, want die zouden al net zo door haar taalgebruik zijn beïnvloed en zijn ook nergens te bekennen.

DFW begon de roman als afstudeerproject nadat zijn hoogleraar Filosofie op Amherst College had vastgesteld dat zijn werk als het ware afdwaalde richting verhalende fictie. Het laat zich vergelijken met Jonah Falke die een soortgelijk pad op werd gestuurd. Falke studeerde fine art painting aan de AKI in Enschede, maar zijn docente, Elvira van Eijl, onderkende zijn schrijftalent en zo studeerde hij in 2016 af met de roman Bontebrug.

Zijn debuut leverde DFW vergelijkingen op met Bret Easton Ellis en Jay McInerney, maar aan hun destijds populaire aanpak was hij al voorbij. Over hoe dat toch werkt, met al die elkaar snel opvolgende generaties schrijvers in de VS een volgende keer.

Tot eindeloos vertier nog 20 dagen.

Foto switchboard