Dossier DFW, deel 5
Ging het in deel 4 over The Great American Novel en het denken in generaties in met name de Amerikaanse literatuur, vandaag een geweldig voorbeeld hiervan uit een interview dat ik had met Michael Chabon.
Michael Chabon was aan het begin van dit millennium een van de pretendenten voor de kroon. Voor zijn roman De wonderlijke avonturen van Kavalier & Clay ontving hij in 2001 de Pulitzer Prize.
Ook Telegraph Avenue (2012), met dat fenomenale centrale hoofdstuk waarin hij een vogelvlucht beschrijft in één zin, ging op voor de eretitel The Great American Novel.
Mogelijk heeft Chabon nog meer belangstelling voor populaire Amerikaanse cultuur dan DFW.
Uit het interview, uit 2001 dus:
Michael Chabon werd bekend met het inmiddels verfilmde Wonderboys (1995), terwijl hij al vanaf zijn debuut De geheimen van Pittsburgh (1988) gold als een van de aanstormende talenten van de Amerikaanse literatuur. Vraag hem nu hoe hij zijn plek in die literatuur ziet, dan zegt hij ‘aan de absolute top!’, maar niet zonder er zelf schaterend om te lachen. Hij deelt schrijvers in de eerste plaats in op leeftijd, zo blijkt, per generatie.
,,Dat is, naast een literair-inhoudelijke ook een kwestie van culturele referentie. We delen een culturele achtergrond. Ik zal je een plat voorbeeld geven. Een reclamespotje uit 1972 zullen we allemaal kennen, daar hoef je aan elkaar niets over uit te leggen. En zo zijn er duizenden voorbeelden van onbenoemde zaken die je deelt.”
,,Dave Eggers is nog geen dertig. Dave Eggers is mijn jongere broer. Ik ben nu 38. Ik hoor bij een generatie die nu op haar hoogtepunt komt. Je bent op je best tussen 35 en 45. Dat zijn schrijvers als David Foster Wallace, Lorie Moore, Mona Simpson en Jonathan Franzen. Let op Franzen.”
,,Wij worden het nieuwe establishment. We zijn niet langer de kids, de brats. We komen in de centrale positie. Updike, Roth, Pynchon en DeLillo, dat is de oudere generatie. Wij schrijven grote, ambitieuze boeken. Mijn generatie heeft de lessen goed geleerd. We zijn opgegroeid met vernieuwers uit de jaren zestig als John Barth en Thomas Pynchon. Vervolgens kwam het minimalisme van Raymond Carver en toen de post-modernisten, die ons leerden dat alles een spel is, dat alles manipulatie is van taal, beelden en symbolen. Vergeleken met Carver zijn wij eerder maximalen. We vertellen weer verhalen, maar met al deze achtergronden in ons achterhoofd. Ja, literatuur is een spel, literatuur is manipulatie, maar je mag bij een boek huilen en lachen.”
Chabon heeft nooit neergekeken op het stripverhaal. ,,In de verdeling low-culture en high-culture heb ik nooit geloofd. Nu is die zeker voorbij, nu popsterren worden behandeld alsof ze een klassiek violist zijn en een klassiek violist wordt gelanceerd als een popster. Vroeger bestond het onderscheid wel. In de tijd waar ik over schrijf waren strips rotzooi, al heb ik dat nooit zo gezien.”
Hij zet het stripverhaal naast de jazz en het honkbal als typisch Amerikaanse kunstvormen. ,,De grote Amerikaanse kunstvormen van de twintigste eeuw ook. Weliswaar is honkbal sport, maar er hangt een hele cultuur omheen. Op strips is vooral in Amerika, anders dan in Europa overigens, lang neergekeken. Tien jaar geleden was het nog ‘kid’s stuff’. Dat is gelukkig voorbij.”
Volgens zijn eigen definitie heeft Chabon nog zeven vette jaren te gaan voor hij 45 is en een generatie opschuift. ,,Ik barst van de ideeën.” Hoe te kiezen? ,,Noodlot, geluk, toeval. Het is een Darwiniaans proces. Ik zou graag een roman schrijven over Freddie Mercury. Wat zeg je me daarvan? Ik ben altijd een enorme Queen-fan geweest, maar dan zal ik wel een batterij aan advocaten achter me aankrijgen, vrees ik. Tja, hoe te kiezen?”
*Die Freddie Mercury-roman is er nog altijd niet. Wel is er sprake van een nieuwe roman dit jaar, getiteld The Night Garden, over een neurowetenschapper. Het zal Chabon’s eerste roman in tien jaar worden. De afgelopen jaren heeft hij veel voor film en tv-series geschreven, onder andere voor Spider-Man 2.
Tot eindeloos vertier nog 18 dagen.