Langs grove lijnen naar het Umfeld van Foster Wallace


Dossier DFW 4


In Nederland kennen we het verschijnsel goed. Generaties schrijvers die met elkaar in verband worden gebracht omdat ze in dezelfde tijd opkwamen, publiceerden, veel gelezen werden en soms vriendschappen onderhielden. Of vetes, dat kon ook helpen.
Willem Frederik Hermans, Harry Mulisch, Gerard Reve – omdat de volgorde geen voorkeur mag aangeven, staan ze alfabetisch op achternaam, zoals ze in de boekenkasten staan. De Grote Drie, maar dan duurt het nooit lang of iemand begint over Hella S. Haasse en een ander noemt Jan Wolkers – en dat is terecht.
Het zou zo maar eens kunnen dat Hermans, Mulisch en Reve enorm hebben geprofiteerd van de term De Grote Drie. Stilistisch en thematisch verschilden ze behoorlijk, al werkte in hun oeuvres de Tweede Wereldoorlog door. Mulisch, die naar eigen zeggen de Tweede Wereldoorlog wás, een oorlog ook, vond hij, die pas voorbij zou zijn als de Derde was begonnen.
Ze vormden een drietal dat geen groep was of wilde zijn, geen literaire beweging als de Vijftigers, geen groep als de Maximalen. Groepsvorming is in Nederland altijd iets meer voor dichters geweest dan voor prozaschrijvers.
We zouden ook nog kunnen zeggen dat Hermans, Mulisch, Reve generatiegenoten waren, al zat er zes jaar tussen Hermans en Mulisch. Dat was nog voor de tijd anno nu dat de jeugd, op basis van hun geboortejaren, in generaties werden ingedeeld en gekarakteriseerd, zoals Generatie-X, Generatie-Z et cetera.

In de Noord-Amerikaanse literatuur van na de oorlog draaide het lang om Philip Roth en John Updike, samen met de al wat oudere Saul Bellow en Norman Mailer. Het waren deze vier auteurs die ieder op hun eigen wijze, maar gevoelsmatig toch in samenhang, ondanks hun vetes, de Amerikaanse identiteit van de jaren zestig en zeventig proefden, analyseerden en provocerend tegen het licht hielden.
(En Stephen King dan, en Tom Wolfe, en J.D. Salinger, en Raymond Carver, en Don DeLillo – ja, ik weet het, te grove lijnen.)
In de jaren tachtig kwam daar een flink aantal schrijvers bij die voor verbreding van de thematiek zorgden. Toni Morrison en Alice Walker brachten de vrouwelijke stem in bij de zwarte literatuur die tot dan toe voornamelijk door James Baldwin en Ralph Ellison werd gedragen.

Ook stromingen, zoals in de rockmuziek

Het is goed om niet alleen naar generaties te kijken, maar er ook de stromingen bij te betrekken. Parallel aan hoe het in de rockmuziek ging. Daar ging in 1967 een band linksaf, weg van de mainstream, en opende een nieuwe historische lijn. The Velvet Underground, met Lou Reed, John Cale en Nico, experimenteerde met noise, rock, stadspoëzie – en had nauwelijks succes, maar de schaduw van hun ongepolijste klankpalet is lang. In hun tijd vormden ze het donkere alternatief voor de hippies die in 1967 in hun Summer of Love nog in hosanna-sferen verkeerden.

In de literatuur is een soort parallelle lijn te vinden. In 1966 publiceerde Thomas Pynchon (hij loopt tegen de 90) zijn tweede roman: The Crying of Lot 49, zeven jaar later gevolgd door Gravity’s Rainbow. Ingewikkeld, complex, uitdagend, gek, gefragmenteerd, labyrintisch. Hondsmoeilijk vat het ook redelijk samen. Met zo’n vierhonderd personages, maar geen hoofdpersonage of het moet een raket zijn waar naar wordt gezocht.
Zoals Velvet Underground een nieuwe parallellijn veroorzaakte, deed Pynchon dat met Gravity’s Rainbow, zijn meesterstuk. En natuurlijk was hij niet de enige. Kurt Vonnegut had al net zo’n absurde kijk op de maatschappij, en Don DeLillo was al net zo verzot op technologie.
Andere namen in de lijn van Gravity’s Rainbow: William T. Vollman, die jonger is, en William Gaddis (wiens grote romans in het Nederlands zouden worden vertaald, maar kort daarop stopte de uitgeverij.)

Het is bij deze lijn dat David Foster Wallace aansluit met zijn hybride, absurde maar ook intellectualistische romans. Met in zijn Umfeld opnieuw DeLillo, maar vooral Jonathan Franzen. Met beide auteurs was hij goed bevriend. Waar Franzen eerder klassieke, groot opgezette romans schreef met minder complexe verhaallijnen, vinden ze elkaar, naast hun vriendschap, in een maximalistische aanpak. Ze hadden geen boodschap aan het weglaten van wat op het oog overbodig leek, maar omarmden extravagantie en overdaad.

Amerikaans fenomeen: The Great American Novel

Wat ons via de omvang (en de kwaliteit) van de romans automatisch brengt naar dat heerlijke Amerikaanse fenomeen: The Great American Novel: de GAN. Great in de zin van geweldig, maar ook van groot. Een dun boek komt zelden voor de kwalificatie in aanmerking. Ja, met The Great Gatsby als uitzondering.
Niemand die precies kan aangeven wat de GAN is of zou moeten zijn. Het is zoiets als: het vatten van de Amerikaanse ziel in een herkenbaar tableau.
Philip Roth, die er diverse op zijn naam heeft staan, publiceerde voor de zekerheid een roman getiteld The Great American Novel.

Op GoodReads staan er inmiddels 671. Over een aantal van de eersten, vanaf het midden van de negentiende eeuw toen de term voor het eerst viel, is wel overeenstemming. Daar hoort Moby Dick bij, Melville’s roman die pas vele, vele jaren later erkenning kreeg – dus op het stempel kan ook na verloop van tijd nog worden gehoopt.
Het is dus met de GAN als met topsport: elke nieuwe roman kan het stempel krijgen, waarbij het dan even in alle euforie lijkt – ‘Dit is ‘m!’ – of het boek alle eerdere Great American Novels heeft overtroffen, maar die eerdere worden toch ook weer niet vergeten en als er later nuchter op wordt teruggekeken zijn die eigenlijk toch greater. Laatst verscheen er een lijstje met de beste voetbalkeepers aller tijden. Stond toch gewoon Lev Yashin bovenaan en niet – vul maar een naam uit deze eeuw in: Neuer, Cech, Van der Sar, Casillas.

Infinite Jest is zo’n Great American Novel. De GAN van DFW. Of de roman de ziel van het toenmalige Amerika heeft weten te vatten, dat gaan we zien, een groots tableau is het wel. Het wordt tijd om de roman te herlezen.

Tot eindeloos vertier nog 19 dagen.