Het heeft alle ingrediënten voor de mooiste aflevering van Tussen kunst en kitsch. Langer dan een eeuw waren meer dan honderd etsen van Rembrandt opgeborgen in een kluis. Tot kleindochter Charlotte Meyer, de hemel zij dank een liefhebster, ze vond ze in de nalatenschap van haar grootvader. Ze laat ze exposeren in het Stedelijk Museum in Zutphen.

door Theo Hakkert


Al bij de ingang ligt een loep. Een meisje heeft er eentje meegenomen en holt vrolijk van muur naar muur. Bij sommige van de allerkleinste etsen hangt een extra loep, want die heeft werkelijk iedereen daar nodig. Om het superieure gepriegel van Rembrandt van Rijn minutieus te kunnen bekijken en bewonderen. Wat het formaat betreft wordt de toon gezet door de ets van zijn hand waar de tentoonstelling mee begint. Het is alsof hij dit zelfportret voor een paspoort heeft gemaakt, alleen waren die er in zijn tijd (1606-1669) nog niet.

Wat een verhaal. De familie Meyer moet hebben geweten dat Charlotte’s grootvader Rembrandt-verzamelaar was, maar ergens in de tijd is die wetenschap niet langer gedeeld of domweg onderschat. Tegen de NOS zei ze: ‘Niemand was in die tijd geïnteresseerd in etsen. Het was niets bijzonders. Voor maar een paar gulden kocht mijn opa 35 verschillende exemplaren. Mijn oma keek er niet naar om. We bewaarden ze, maar niemand verwachtte er echt wat van.’ Tot ze tijdens corona ze nog eens nader bekeek wat opa haar had nagelaten

De schat hangt nu fraai uitgestald in Zutphen. In min of meer chronologische volgorde, met een verhelderende tijdlijn. Jammer dat Rembrandt en passant influencer wordt genoemd. Hij was niet de enige die etste en, zoals op de eerste verdieping te zien is, waren vele collega’s in binnen- en buitenland ook met etsen bezig. Maar goed.

Rembrandt begon met etsen al voordat hij in 1630 naar Amsterdam verhuisde en daar de grote beeldend kunstenaar werd. Etsen is hij zijn hele leven blijven doen. Al snel na het etsje voor het ‘paspoort’ ging hij groter werken. Tot A4 aan toe en later nog groter. Hier zien we meteen hoe hij zijn fameuze spel met donker en licht verfijnde. De onderwerpen zocht hij dicht bij huis, in de stad en erbuiten, waar hij landschappen in zich opnam en ze in zijn atelier al etsend samenvoegde. Veel Bijbelse taferelen ook, uit beide testamenten, evenals mythologische.

De collectie-Meyer toont de ontwikkeling van zijn kunstenaarschap. Lijken het eerst nog probeersels, gaandeweg werden het zelfstandige voorstellingen. In die tijd was er veel vraag naar etsen, ze waren nu eenmaal goedkoper dan de grote olieverfschilderijen waar Rembrandt mee wordt geassocieerd. Al wordt een begin van de tentoonstelling gerefereerd aan de uitspraak van Rembrandt-kenner Ernst van de Wetering (1938-2021) dat in de etsen diens ware genie zichtbaar wordt.

Vaktechnisch valt daar sowieso veel voor te zeggen, want etsen is een ingewikkelde arbeid. Op de eerste verdieping wordt de techniek uitgelegd en dat verklaart waarom beneden al diverse ‘staten’ van een en hetzelfde kunstwerk te zien waren. Rembrandt was niet snel tevreden en hij bleef het metaal waar hij de ets in had gekerfd, met een heel fijne etspen, bewerken. Soms smeerde hij een lijn weer dicht. Hij ging wel tot acht staten voordat het in zijn ogen goed was.

En dat allemaal in spiegelbeeld. De in het metaal geëtste afbeelding werd met inkt besmeerd afgedrukt. Dus moest ook de handtekening in spiegelbeeld, maar zijn naam ‘op de kop’ etsen vond hij ingewikkeld. Boven wordt opgemerkt dat er één ets tentoongesteld wordt waar zijn naam in spiegelbeeld op staat. Ook zonder loep te zien.

Gepriegel, dat is het. Je voelt als het ware bij elk fijn lijntje de kracht die de kunstenaar heeft moeten zetten, die dat deed in de wetenschap dat het eenmaal afgedrukt toch niet zo zou kunnen uitvallen als bedoeld. Een beperkt aantal etsen wordt tentoongesteld in een groen passe-partout en een enkele in een oranje. Voor het contrast werkt dat heel sterk, met name het groen, dat rust geeft voor de ogen. Op de foto: in groen passe-partout: De Rattenvanger. Uit 1632.

Rood is er voor Het Franse bed, een ets met droge naald uit 1646, waar gekleed de liefde wordt bedreven in missionaris-stand. Ernaast begint de afdeling Erotiek, waar naakten te zien zijn die Rembrandt niet mooier heeft willen voorstellen dan ze waren – een moderne influencer zou er een filter overheen leggen en wallen, vetrollen, rimpels en plooien wegwerken. De verfijning van de eerste etsen, die vaak uiteindelijk met maar een paar lijnen waren vervaardigd, maakte later plaats voor wat ook op veel schilderijen te zien is: grove streken en ongepolijste afbeeldingen, vol kracht,  dynamiek en geweld.

Dit alles wordt in de tentoonstelling afgezet tegen de persoonlijke geschiedenis van de kunstenaar. Zijn muzen, zijn vrouwen, zijn jong overleden kinderen, zijn rijkdom en aanzien, en zijn arme levenseinde. Het tumult vond zijn weg in de kunst.
De geschiedenis van Amsterdam komt aan het eind voorbij, met een nadrukkelijke verwijzing naar het aandeel van de welvarende stad in de donkere geschiedenis van de slavernij.

De kunstzinnige verdieping is te vinden op de eerste verdieping, waar Rembrandt’s werk tussen dat van tijdgenoten, voorgangers en navolgers hangt. En die konden het ook, goeiedag. De drie etsen van Jan van de Velde uit de serie De Vier Elementen, uit 1625, ook in het bezit van Charlotte Meyer, zijn indrukwekkend. Waarmee niet alleen Rembrandt van het donker naar het licht wordt gebracht, maar ook de ets als kunstvorm.


Rembrandt, van donker naar licht.
Stedelijk Museum Zutphen. Tot 14 juni.