Wijn is het. Het zijn vooral kelken wijn die geheven worden in de woningen en etablissementen van eertijds. Voor de zoon van een bierbrouwer en zelf ook brouwer én kroegbaas schuimt er weinig op de schilderijen van Jan Steen die, omdat hij vierhonderd jaar geleden is geboren, te zien zijn in de Lakenhal in zijn geboortestad Leiden.



door Theo Hakkert



Op Het vrolijke huisgezin heeft Jan Steen (1626-1679) zichzelf afgebeeld, wat hij vaak deed, al dan niet samen met zijn gezin, en in dit geval zit hij aan het hoofd van de tafel. Een jongeling met een rode baret op zit met zijn gat op tafel en speelt dwarsfluit. Een drinkgelag is het niet, alleen de heer des huizes heeft een glas. Wie er ook drinken, zijn twee kinderen, ze zijn nog geen tien jaar oud. Terwijl en omdat niemand op ze let, proberen ze te roken en te drinken.
‘Jong geleerd, slecht gedaan,’ lijkt Steen te suggereren, maar of hij echt wijze lessen wilde overbrengen blijkt verder niet uit het tafereel. Al is er wel een setje schilderijen bijeengebracht met wijze lessen. De suggestie is eerder: zo is het leven, maar let een beetje op ze.

(de tekst gaat onder de afbeelding van Jan Steen – Het vrolijke huisgezin verder)

Het werk, dat als het ware de titel van de tentoonstelling verbeeldt – Thuis bij Jan Steen – is uit 1668 en in het bezit van het Rijksmuseum, dat het voor de gelegenheid heeft uitgeleend aan de Lakenhal. Voor een grote zoon van de stad als Jan Steen is het Leidse museum wel verplicht een grote tentoonstelling te organiseren. Enigszins schrijnend is het wel dat op een van de wanden de herdenking van 300 jaar Steen wordt herdacht. Koningin Wilhelmina was er toen en er hingen zeventig schilderijen. Dan steken de dertig van nu toch karig bij af.
Het zal wel ter compensatie hiervan zijn dat in de zalen grote blow-ups van details van schilderijen de hoge wanden vullen. Wat op zich weer niet zo erg is, want op een Steen is vaak veel te zien, zeker als het om bruiloften, meidansen en partijen gaat. Details.

De meidans is een van die feestelijke taferelen, het fraaie doek is recent herontdekt en is een van de schilderijen uit particuliere collecties die hier te zien zijn, wat een bezoek aan de Lakenhal toch bijzonder maakt. Zo vaak zijn die niet te zien.
Bakkersechtpaar wel, het is ook van Amsterdam, maar het echtpaar zelf is zo Leids als maar kan. Bakker Arent Oostwaard en Catharina Keizerswoord presenteren vol trots wat ze in de nacht voor hun klanten hebben gebakken. Krakelingen zowaar, en natuurlijk vers brood. Het jongetje op het schilderij is Thaddeus, een zoon van Steen.

Luim en ernst

Wie bij Jan Steen alleen denkt aan grote vrolijkheid, drankgelagen en andere kluchtigheden, moet zeker even gaan kijken. Juist omdat die joligheid maar mondjesmaat hier hangt, vallen zijn andere schilderijen veel meer op. Een Bijbellezend echtpaar bijvoorbeeld, ook Jan Steen zelf, en hij heeft gemeend zichzelf een scheef mutsje op te moeten zetten, maar dat doet niet af aan de ernst van het tafereel, waar een echtpaar – Steen’s echtgenote van toen, Grietje van Goyen, is de vrouw – een stichtelijke seance heeft. Ze warmt haar hand aan een stoof.
Serieus is ook zijn Emmaüsgangers, waar hij Jezus op heeft afgebeeld als schim, omdat hij verdween toen de discipelen hem herkenden.

De schilderijen van Steen kenmerken zich door een combinatie van redelijk wilde penseelvoering met fijnschilderen. Het was zijn manier van scherpstellen. Leiden was de stad van de fijnschilders. Eind vorig jaar was dat in dezelfde zaal nog te zien bij de tentoonstelling van de raadselachtige Meester I.S., maar aan hem wordt merkwaardig genoeg niet gerefereerd, wel aan de fijnschilders Gabriël Metsu, Frans van Mieris en Ary de Vois, collega’s met wie Steen omging. Naast de kleine dertig werken van Steen hangen ook schilderijen van Leidse kunstenaars, om het echt een herdenking van de stad te maken ook.


(onder de afbeelding gaat de tekst verder.)

Jan Steen: Bathseba.
Collectie Rijksmuseum

De eerste blow-up is het gezicht van Bathseba, ook uit een particuliere collectie. Hiervoor poseerde Steen’s tweede echtgenote, Maria van Egmond. Haar licht-schampere lachje is prachtig, evenals haar ruim-vallende zilverkleurige jurk. Het mooie van satijn is dat automatisch het licht erop valt – en het oog van de bezoeker. Dat gebeurt ook op De waarzegster en De koekvrijer. En op Het Spaanse bruidje. Uiteraard gaat bij een bruiloft alle aandacht uit naar het echtpaar en dan met name de bruid, maar Steen heeft haar niet eens zo heel prominent hoeven te brengen, de kleur van de jurk doet het werk. Waardoor ook haar buik opvalt. Die nogal dik is.
Satijn werkt gewoon goed. Voorbeelden daarvan waren ook te zien bij de tentoonstelling in Zwolle van de Ter Borchs.

Het andere accent op Jan Steen is interessant en instructief, maar een dagreis is de tentoonstelling nou ook weer niet waard. Het is: even bij Jan Steen langs nu je toch in de buurt bent. Misschien is hij thuis, en zeker vind je hem In de Lakenhal.

Thuis bij Jan Steen – 400 jaar leven in de brouwerij.
Lakenhal, Leiden. Nog tot en met 23 augustus.