Ondanks de heerlijke overdaad aan schilderijen van oude meesters in de Europese musea zijn er ook lacunes. Zo is het betreurenswaardig dat het Museo civica Ala Ponzone in Cremona geen enkel werk heeft van Sofonisba Anguissola, die in de violenstad werd geboren. Wel hangt er een Caravaggio, en die heeft München dan weer niet. VersTwee ging kijken.
Door de Alte Pinakothek van München waart een geest, al kan dat ook aan de bezoeker liggen die met een niet te vervullen verwachting het museum betreedt.
De geest als een variant op de olifant in de ruimte. Niemand die het ziet, hoe prominent het idee zich ook door de zalen beweegt. De naam van de geest is Caravaggio. Hij is er, ook al is hij er niet. München heeft geen Caravaggio, dat hebben wel meer musea niet, maar de Alte Pinakothek moet het grootste Europese museum met klassieke Renaissancekunst zijn zonder. Omdat hij hier ontbreekt, terwijl hij er zo goed zou passen, hangt hij er toch een beetje, als een geur die zich niet verdrijven laat.
Tegelijk doet dit onrecht aan de Alte Pinakothek. Er hangt zo veel dat het aan het Rijksmuseum Amsterdam doet denken van vóór de grote verbouwing. Eindeloze zalen op de verdieping terwijl je weet dat straks de begane grond nog komt.
Noem een naam en München heeft er iets van – met deze uitzondering (naast Caravaggio) die nu eenmaal inherent is aan een museum met deze ouderdom: de grote vrouwen, en de kleine, ontbreken.

Het is even wennen aan de opzet, die toch logisch is: grote zalen, grote werken; kleine werken in de kabinetten. Oppassen dus. Doe je dat niet, dan mis je wellicht een Madonna van Antonello da Messina (1430-1479). Zij in München is niet zo adembenemend als die in Palermo, die met de vingers, de blik, haar knappe gezicht – met naar binnen gerichte blik – en haar hoofddoek van voor die tijd onbetaalbaar blauw.

Zo mooi is deze niet. De open mond, de ogen – hier ontbreekt de introspectie en de schoonheid daarvan. Wel is er het blauw, dat meer dan peperdure blauw. Wel hangen ze allebei haast zinloos op zaal: er was en is verder niemand, wat dan wel weer past bij een Madonna.
In een zijzaal ook een zelfportret van Rembrandt. Alsof het ergens een plekje moest hebben, dus maar hier. De ondankbaarheid van de kleine kabinetten.
Rembrandts te over, grote dus, in de hoge zalen ernaast. Een reeks rond de kruisafname. Ze zouden in Nederland niet misstaan, maar deze discussie voeren we niet hier en nu.
Sinds een aantal jaren heeft de Alte Pinakothek de aloude opstelling verlaten en de schilderijen in een nieuw verband bijeen gehangen. Dat werkt goed. Ook al omdat ze het niet te veel benadrukken. Zo hangen schilderijen met de annunciatie wel dicht bij elkaar, maar niet direct naast elkaar. De Annunciatie van Filippo Lippi bij die van Albert Bouts in de buurt. Van Rafael en Bellini ieder een Maria met kind.
Het beeldmerk van het museum is het zelfportret van Albrecht Dürer (1471-1528). Vast niet om ‘buurgemeente’ Nürnberg te sarren, de stad van Dürer – in 2028 is hij 500 jaar dood, afwachten met welke blockbuster Beieren komt.

Van Dürer is minstens zo indrukwekkend zijn dubbelschilderij uit 1527 met vier apostelen: Johannes, Petrus, Marcus en Paulus. Ten voeten uit is wat vooral opvalt, en wat blijft hangen. Verderop zijn nog meer figuren ten voeten uit. Van Dürer, maar ook van Cranach: Lucretia. Maar net zo goed van Ferdinand Hodler: een student uit Jena, uit 1908, die is gevangen op het moment dat hij net zijn jas aantrekt.

Terug naar de zijzalen. Pieter Bruegel de Oude (1525?-1569). Hangt hier gewoon. Een piepklein portret van een vrouw, uit circa 1568. Was zij toen wel in Wenen en ging ze daar ten onder bij de overweldigende, mythische schoonheid van Bruegel’s grote werken, waaronder de zes jaargetijden, waar er vier van bij elkaar hingen?

Zijn Land van Cocagne is hier. Luilekkerland. Iedereen ligt gevloerd onder een boom. Een ei loopt nog op pootjes, maar met een lepel is de inhoud eruit gehaald en opgegeten.
De kindermoord van Bethlehem van Peter Paul Rubens (1577-1640), uit circa 1638, toont de gruwel, centraal maar bescheiden, hoe gek dat ook mag lijken. De razzia is aan de gang. Mannen die huizen binnendringen. Smekende moeders. De actualiteit kan niemand ontgaan.

In een grote zaal een fantastische Ferdinand Bol (1616-1680): De wijnmeesters. Uit 1659. Staalmeesters, denk je bij de eerste blik. Maar dit perspectief is net iets minder vanaf de grond. Het is kraakhelder, het gilde spettert van de muur. De centrale figuur is geweldig. Het rechterbeen losjes en niet van arrogantie ontbloot over de linkerknie: ‘U had iets?’ Zo’n blik.
Beneden drie Van Goghs. Een bos zonnebloemen trekt de meeste belangstelling. Twee landschappen uit de blauwe periode zijn minstens zo mooi. Nee, mooier.
De Alte Pinakothek is een onuitputtelijk museum. Met veel Nederlandse meesters, Vlamingen – ook Bruegel’s zoon Jan.
En ook overal caravagisten, alleen de naamgever zelf niet. Spijtig, overal zijn spel met licht en zijn getimede gruwel. Een paar jaar geleden was er een tentoonstelling met en over en van Caravaggio. Die geest dus, die geur, die gaat niet meer weg.
Dan maar naar Cremona, de stad van Stradivarius – en van Sofonisba Anguissola, de eindelijk ontdekte of eindelijk gewaardeerde, wellicht is dat beter.
Eerst in deze verfijnde Noord-Italiaanse stad naar het Viool Museum, inclusief concert op een Stradivarius (in de vitrines wordt alleen al Il Cremonese op 80 miljoen geschat), en daarna naar het Museo civico Ala Ponzone in Cremona. Dat is het plan. Maar je kunt niet altijd op Google vertrouwen: in juli en augustus is het museum open van 9 tot 14. Iemand is vergeten dat door te geven.
Aan de andere kant: welk museum is om 9 uur open? Niet klagen. Zondagochtend om iets over 9 in een verder leeg museum voor een Caravaggio staan, daar is niets mis mee. Het betreft een meditatief doek, de San Francesco in meditazione. Sobere kleuren, varianten van bruin.
Dit is een van de twee schilderijen die Caravaggio (1571-1616) maakte van Francicus van Assisi, in gedachten kijkend naar een doodshoofd. Het andere is ouder, bekender (maar niet ondertekend) en hangt in Rome. Beide schilderijen zijn gemaakt rond 1606-1610, in de periode dat de lastpak Rome moest ontvluchten nadat hij iemand had gedood.
Het hangt er mooi in Cremona. Goed uitgelicht. Met twee stoelen opdat de bezoeker zelf lang kan kijken. Het meditatieve krijgt vat op je zo ’s zondagsmorgens vroeg.

Het is ook meteen een van de weinige bezienswaardigheden in Ala Ponzone. Het andere is een grappig doek – Il ortolano – van Giuseppe Arcimboldo (1526-1593), de schilder die in zijn werken groente, fruit en voorwerpen verwerkte. Het bijzondere hier is dat het een schaal met fruit lijkt, maar als je het omdraait en ‘op de kop’ bekijkt (met een spiegel), is het een hoofd.
Cremona is, naast de stad van violen, noga en gorgonzola, ook de geboorteplaats van Sofonisba Anguissola (1532-1625), de kunstenares die afgelopen jaren is herontdekt en wier werk diepe indruk maakte in het Rijksmuseum Twenthe. Bij leven is ze enorm tegengewerkt door de familie. Een schilderende vrouw, daar kon niets goeds van komen. Alleen portretten mocht ze schilderen. Anatomie bestuderen was niets voor vrouwen. Binnen de verdrukking is ze tot grote hoogte gestegen. Later zou ze hofschilder worden van Filips II.
Dus zou je mogen hopen dat haar geboortestad, ook al woonde ze later elders, een of meer schilderijen van haar heeft.
Helaas. Bij navraag zegt de jongeman aan de balie, die de vraag waarschijnlijk al eerder heeft gehad: “Alleen van haar zuster.”
Klopt. Twee.
En veel werk van Sofonisba’s leraar Bernardino Campi (1522-1591). Daarnaast veel Cremonese schilders. Trotti, Ganzi – een annunciatie.
Elders in de stad zijn dan, bij gebrek aan een schilderij, maar een school en een instituut naar Sofonisba genoemd. Het voegt slechts toe aan de tragiek van een gemiste kans rond een onbegrepen dochter. De historie laat zich niet herstellen. Op zich is dat goed.