Pablo Picasso werd geboren in Málaga, maar keerde er zelden terug. Het Picasso Museum is er niet minder succesvol om. Keramiek van hem tegenkomen in Cádiz is een gelukkig toeval dat het beeld op ’s mans kunst en persoon verdiept.
door Theo Hakkert
De tragiek van sommige geboorteplaatsen van kunstenaars is dat de beroemde zoon of dochter zich later weinig aan de bakermat gelegen laat liggen.
Zie Jan Cremer en Enschede. Was Jan te groot of Enschede te klein, of andersom, of allebei? Feit is dat hij zich herhaaldelijk van zijn geboortestad heeft afgekeerd om dan met veel bravoure, al vaandels zwaaiend even terug te keren. Dan kwam hij oude bekenden tegen. Het gevoel van zijn jeugd opnieuw te voelen, dat verraste hem en maakte hem week – om dan toch weer te vertrekken. Het museum kwam er nooit. Alleen de afbeelding van Cremer op zijn Ik Jan Cremer-motor is nog in veelvoud te zien op de buitenmuren van het pand waar het museum had zullen komen en waar nu de redactie van Tubantia zit.
Zie Cremona, waar Sofonisba Anguissola geboren is, maar het museum heeft geen enkel schilderij van haar, wel van een van haar zussen – en een Caravaggio, wat hoe bijzonder ook slechts een kleine troost is.
Pablo Picasso (1881-1973) is zo ongeveer de laatste zeventig jaar van zijn leven niet meer terug geweest in Málaga. Toch weet de stad zich succesvol als Picasso-stad te afficheren. In brons zit hij voor zijn geboortehuis, dat te bezoeken is. Rijen van wel driehonderd meter aan wachtenden staan dagelijks bij het museum verderop in de binnenstad. Losse kaartverkoop kan, maar online is alles al weggekocht. Door de mensen in de rij.
Binnen wacht een prima tentoonstelling, chronologisch geordend naar de verschillende fasen in zijn leven, fasen die vaak een kleur mee hebben gekregen. Mooi hoe wordt getoond hoe hij op latere leeftijd dan weliswaar niet naar Málaga terugkeerde, maar in zijn werk wel de thema’s oppakte die hij al jong had gekozen – of de thema’s hem.
Van tragiek is zeker sprake als het gaat om zijn schilderijen. In Málaga heeft het museum geen topwerken. Wat wellicht ook iets zegt over de overvloed van Picasso’s oeuvre. De bekende kubistische gezichten zijn er wel te zien, zelfs in ruime mate, maar de meest geslaagde hangen elders. Mogelijk hierdoor springt vooral zijn keramiek in het oog. Tal van blauw-witte vazen en schenkkannen sieren de vitrines. Zijn schetsboeken, met name die uit Biarritz, worden bladzij na bladzij getoond, dat is heel mooi gedaan.
(de tekst gaat door onder de foto)

Een van de vele lijnen in zijn oeuvre is die van de gitaar. Opvallend hoeveel vroeg werk van hem hier op de gitaar is geënt. De vorm appelleerde aan hem, de muziek uiteraard en dan is er de tragische dood van zijn vriend Carlos Casagemas. De gitarist beroofde zich van het leven na een ongelukkige liefdesaffaire. Voor Picasso was dit het begin van wat bekend is geworden als zijn Blauwe periode.
Wat de schilderijen betreft gaat het hier echter vooral om die met vrouwen. De man bouwde een naam op als vrouwenverslinder. Muzen die hij zo weer terzijde schoof – volgende. Zijn reputatie ligt op dit gebied volledig aan gort.

Rondingen fascineerden hem – wat op zich weer weinig kubistisch is. Het mooiste voorbeeld hiervan is Susanna and the elders (uit 1955) waar een uitgestrekte, uit rondingen opgebouwde Susanna wordt beloerd door twee “elders” die nauwelijks opvallen. Deze had vorig jaar wel gepast in de tentoonstelling Susanna, van Middeleeuwen tot MeToo in Museum Gouda.
De keramiek verraste het meest, wat een al even verrassend vervolg krijgt in Museo de Cádiz waar bij een tijdelijke tentoonstelling de aandacht uitgerekend uitgaat naar Picasso’s keramiek. Het is een dialoog-tentoonstelling, de tweede in een reeks, op initiatief van het museum in Málaga, om jongere kunstenaars te laten reflecteren op Picasso.
Miguel Barceló (geb. 1957) gaat hier het gesprek aan met de grootmeester. En dat is helemaal in lijn met hoe Picasso zelf naar zijn keramische werk keek. Hij claimde niet dat hij origineel was, integendeel: hij legde openlijk de nadruk op het gegeven dat hij in een traditie werkte, een traditie die hij zocht, al zette hij die uiteraard naar eigen hand en tijd.
Hij werkte naar voorbeelden nadat hij het vak had geleerd in 1947 in een werkplaats van Suzanne en Georges Ramié. Het echtpaar was in 1938 begonnen met een atelier in Vallauris, nabij Cannes. De streek stond al bekend om de keramiek die daar werd gemaakt al vanaf de 19e eeuw. Suzanne Douly ging nog verder terug en bestudeerde keramiek uit de 17e eeuw. Het was deze traditie waar Picasso zich bij aan wilde sluiten. De werken zijn dan een combinatie van sculptuur en schilderkunst. De onderwerpen gaan van alledaagse potten tot mythologische figuren. Het driedimensionale, in combinatie met verschillende technieken, moet hem enorm hebben aangesproken.
En zo was Picasso niet alleen een trendsetter met het kubisme et cetera, maar voegde hij zich ook in een traditie.
(na de foto gaat de tekst verder)

In een vitrine in Cádiz staan twee slanke beelden, ‘geportretteerd’ naar twee flessen waarvan de foto’s er ook hangen. Vrouwenfiguren, het zal ook eens niet, al zocht hij dus altijd naar een dubbele functie. Wat in Málaga al te zien was: een schenkkan en dier ineen.
Het museum heeft gezorgd voor een fraaie presentatie door Barcelo’s ‘reflecties’ op Picasso, zoals ze worden genoemd, op een groot plateau in de zaal bij elkaar te zetten. Een loopje rond het plateau biedt andere perspectieven, doorkijkjes, en ook is vanuit de ene hoek veel meer kleur te zien dan vanuit een andere. Het plateau staat in een patio, zodat het ook mooi te zien vanaf de hogere verdiepingen. Verdieping is precies wat deze tentoonstelling brengt.
(tekst gaat door onder de foto)

Nog tot 28 juni in Museo de Cádiz.
Dit is het derde verhaal in een reeks over kunst en cultuur in Andalusië.