Over moed en een geranselde haring
In het Torpedo Theater in Amsterdam converseerden vorige week hoogleraar Jos Joosten en schrijver Atte Jongstra over nieuwe interpretaties van bekende werken uit de Nederlandse literatuur. Zo was Jongstra opgevallen dat ‘held’ Gysbrecht wel heel vaak de toevlucht zocht tot torens en zelfs een boom.
door Atte Jongstra

1.
Een van de meest iconische toneelstukken van ons vaderland is Vondels Gysbreght van Aemstel (1637). Op enkele onderbrekingen na werd het sinds 1641 jaarlijks met Kerst opgevoerd, in de negentiende eeuw verschoof men het naar nieuwjaar, maar tot 1968 stond het steevast op het schouwburgrepertoire. Uitzonderlijk. Via gemijmer over de tegenwoordige zo fel verdedigde nationale identiteit en de vraag wat die dan eigenlijk inhoudt kwam ik terecht bij dit vaderlands icoon, geschreven door de ‘Keulse Zwaan’ (Vondel werd in Keulen geboren). Het stuk gaat over de belegering van Amsterdam, een represaille op de moord op Floris V. Chef Defensie van de stad is Gysbreght, maar dat is een slapjanus. Het loopt dan ook niet goed af. De belegeraars eisen overgave van de stad, Gysbreght weigert en probeert echtgenote Badeloch ertoe te bewegen met de kinderen per boot te vluchten. Badeloch wil niet, maar na enige aandrang is ze daartoe toch bereid. Dan verschijnt ook de engel Rafaël ten tonele, en bevestigt uit naam van God dat allen moeten vluchten: ‘Verlaet uw wettigh erf.’ Gysbreght moet in Pruisen maar een ‘Nieuw Holland’ gaan stichten. Nu ja, denkt hij, God is de baas, denkt hij, maar het afscheid valt hem zwaar:
‘Wy gaen en komen nimmer weer…’ stempelt Gysbreght aldus tot nep-leider. Je hoeft echter het laatste bedrijf van het stuk niet af te wachten om hem dit predicaat op te spelden. Op slecht moment – het is kerstnacht – verneemt Gysbreght dat de vijand met een Paard van Troje-truc in de stad is geraakt. We horen: ‘Vergeefs heeft dit belegh u zoo veel zweet gekost, en bloed en arrebeid, nu alles loopt verloren.’ Allez Gysbreght, denk je dan. Erop af! Niet te flauw, verdedig de stad, met een beetje geluk is het voor oud en nieuw met het bloed en de arrebeid gedaan!
Helaes! hoe bitter valt het scheiden van zijn land. daer alles loopt verloren! De liefde tot zijn land is yeder aengeboren. Verdelghe stad, wy gaen, en komen nimmer weer. Vaer wel, mijn Aemsterland: verwacht een andren heer.
Wat zegt Gysbreght daarop? ‘Ick zal terstond om hoogh gaen zien van Schreiers toren.’ Pardon? Badeloch zegt bijna hetzelfde: ‘Is dat triomf? Heet dat zijn vyanden verjaegen?’ Maar haar held staat al op het kleine torentje aan het IJ, met natte ogen. Dat hij daar niet lang blijft, geeft wel even hoop. Hij waagt zich op plaveiselniveau en legt daar een wandelroute af van naar schatting anderhalve kilometer, een kwartiertje als hij heeft doorgelopen. Dan komt hij aan op de Dam. Maar wat doet Gysbreght daar opnieuw?
Ick steegh den toren op, die boven ’t dack koomt rijzen,
In ’t midden van ’t stadhuis, van waer men u kon wijzen
De tenten om de stad, en hoe al ’t leger lagh,
En van wiens trans men flaeuw de Dom van Uitrecht zagh,
By klaer en helder weer. ’k Zagh hier uit hoeze streden,
En met den storrembock de poort geweld aen deden,
En ramden reis op reis, verdadight door een dack
Van schilden, dicht gevoeght. De deur gaf krack op krack.
Wy stelden flux in ’t werck de dissels en de bijlen,
En hieuwen in het rond in stucken alle stijlen,
En stieten spitze en al ’t gevaert van boven af,
Het welck een’ slagh en roock de marreckt over gaf,
En maeckte een vreeslijck loch in zoo veel ysre koppen,
Dat anderen terstond, gevoeght in orden, stoppen.
Terwijle stack de kerck de naeste huizen aen.
Van daer begon de vlam in ’t leien dack te slaen
Van ’t Raedhuis, en de roock en smoock verblinde ons oogn.
De poort bezweeck, het volck quam raezende ingevlogen.
’k Was al mijn vrienden quijt, en stond verbaest en stom.
Verbaasd en stom… ‘Heet dat zijn vyanden verjaegen?’
In die verbaestheid scheen een wolxken uit den hoogen
En goddelijcke glans te blincken voor mijn oogen,
En uit die heldre wolck quam eene stemme voort.
Ick heb het licht gezien, en zelf de stem gehoort:
O Gijsbreght, laetghe nu Klaeris, uw nicht verlegen?
Magh u oom Gozewijn, die grijze niet bewegen?
En steltghe huis en vrouw en kinders in gevaer?
Doen schrickte ick en steegh af, en packte my van daer,
Door een’ verholen gang, die uitkoomt in een’ kelder.
’k Aenbad het heilgh licht, dat voor my ging zoo helder.
Van de toren naar de kelder, dan weer op straat. We volgen Gysbreght op zijn pad. Ditmaal begeeft hij zich naar het klooster, buiten de stad als ik mij niet vergis. Duidelijk meer dan anderhalve kilometer gaans, beslist niet zonder gevaar. Gysbreght komt niettemin ongeschonden aan bij het klooster en meent er alweer goed aan te doen de hoogte op te zoeken – het dak. Het is slechts tijdnood die hem hiervan weerhoudt:
Ick raeckte op straet en quam gevaerlijck in d’abdy.
Maer niemant gaf gehoor, noch luisterde na my,
Die tegens ’t noodlot aen noch reuckeloos wou wrijten,
En boven op het dack my in het uiterst quijten.
Want eer ick boven quam, lagh poort en post om veer.
Grofweg in modern Nederlands: ‘Ik bereikte de straat en kwam met veel gevaar in de abdij aan. Maar niemand gaf gehoor of luisterde naar mij; niemand wilde zich nog roekeloos verzetten tegen het noodlot. Ik heb me boven op het dak tot het uiterste verweerd. Want nog voordat ik boven was, lagen de poort en de deurposten al omver.’ Een moedig voornemen, maar daar blijft het dus bij.
Stap zoveel, een nieuwe verplaatsing van onze held: ‘Dies glee ick by een touw in ’t kloosterschuitjen neer, Dat juist nogh achter lagh, en ’k voer den Aemstel over.’ Torenloos terrein. Maar waar vinden we hem terug aan de overkant van de Amstel? ‘Daer klom ick op een’ boom, nu dor en zonder lover, En luisterde, en zagh toe, hoe ’t met d’abdy verging.’ We voelen hoe Gysbreght hier het zweet uitbreekt. Zojuist zat hij zelf nog bijna (!) op het abdijdak, waar nu reeds de vlammen uitslaan.
De boom waarin hij in is geklommen is bladerloos (‘dor en zonder lover’), het is immers winter. Hij zit dus voor ieder tussen de takken te prijk, en hoort paarden naderen – wegwezen! ‘Mijn voeten werden vlugh.’
Met een vlugvoetige leider als Gijsbregt win je geen oorlog. Amsterdam wordt ingenomen. Dan komt de engel Raphaël met een boodschap uit den hoge:
In ’t midden van den stroom, schep moed, en wanhoop niet,/ Maer volgh gehoorzaam na het geen u God gebied./ Zijn wil is, dat ghy treckt na ‘et vette land van Pruissen,/ Daer uit het Poolsch geberght de Wijsselstroom koomt ruisschen,/ Die d’oevers rijck van vrucht genoeghelijck bespoelt./ Vertrou u daer, en wacht totdat de wraeck verkoelt./ Ghij zult in dit gewest een stad, Nieuw Holland, bouwen,/ En in gezonde lucht, en weelige landouwen,/ Vergeten al uw leed, en overbrogten druck;/ Waer door uw naezaet klimt den bergh op van ’t geluck.
Er zit niks anders op dan God te gehoorzamen en te emigreren. Op naar Pruisen.
2.
Het is een mooi verhaal. Fictie? Historicus D.E.H. de Boer vond aanwijzingen, dat de echte, historische Gijsbregt met enkele getrouwen inderdaad betrokken zou zijn geweest bij de stichting van Pruisisch Holland (in het Pools Pasłęk genaamd), niet ver van Elbing (Elbląg in het Pools). De oorspronkelijke bewoners – Pruzzen – noemden deze plaats ‘pa-assis lukis’, dat is: woonplaats van de hoofdman. De Duitse Orde bracht het gebied in het tweede kwart van de 13de eeuw onder haar controle. In 1288 besloot de landmeester van de Orde, Meinhard von Querfurt, de moerasgebieden bij ‘Pasluk’ te laten droogleggen door Hollanders en in 1297 verhief hij de plaats tot stad met de naam (Preußisch) Holland. Toen in 1525 de Ordensstaat zich seculariseerde, en een luthers hertogdom Pruisen werd, ontwikkelde Pruisisch-Holland zich door calvinistische en mennonitische vluchtelingen toegang te geven: Nederlanders, Friezen, Schotten en Fransen (Hugenoten). De mennonieten vestigden zich vooral in de dorpen in de omgeving, de andere immigranten werden opgenomen in de Pruisisch-Duitse burgerij.
We moeten ons bij Pruisisch Holland geen opvallend grote, luxe volksplanting voorstellen. Het schijnt eerder een anonieme negorij te zijn geweest, een muggenpoepje op de kaart van Europa, getuige deze anekdote uit de jaren ’70 van de negentiende eeuw:
Uit Pruisisch-Holland, een stadje in de provincie Pruisen aan de Weiska, wordt gemeld, dat aldaar een brief is ontvangen, geadresseerd aan den heer T., sedert vele jaren aldaar metterwoon gevestigd. Deze brief werd hem toegezonden ten jare 1870, tijdens hij als militair bij het leger stond. In plaats van naar de plaats zijner bestemming te worden gericht, werd de brief een verkeerden weg opgezonden, want over Triest ging hij naar Brindisi en van daar naar Indië. De brief bereikte Calcutta en daar niet bestelbaar zijnde, ging hij naar Singapore en vervolgens naar Batavia, Pasaroean, Alin’danao, Soezan, Hongkong, Chifoen, Hakodado, Kanagawa, Jeddo, Wladilaskoppok, Sydney, de Kaap de Goede Hoop, St.-Helena, Ascension, Kuranna, Brest, Toulouse, Wilhelmshoven en eindelijk bereikte hij Pruisisch-Holland. Aan den brief was een staat gevoegd ter lengte van bijna één meter, waarop aangetekend stond, dat de Duitsche consuls van alle gemelde steden te vergeefs pogingen in het werk hadden gesteld, om den brief aan de adressant ter hand te doen stellen, een en ander bekrachtigd door hun handtekening en het cachet van het consulaat. Algemeen Handelsblad, 30-3-1877.
Een eenmalig bewijs voor het bestaan van een Pruisisch Holland? In 1916 maakt het Algemeen Handelsblad opnieuw melding maakt van een Hollandse exclave in Oosterburenland, waarin ‘een hoogst opmerkelijke bevolking wordt aangetroffen, die in zeden, taal, nationale kleeding en feesten nog duidelijk hun Nederlandsche afkomst toonen.’ Het gaat om nazaten van een groep kolonisten ‘die zich niet alleen in het toenmaals zeer moerassig delta-eiland Die Werder hadden gevestigd, doch ook langs de geheele beneden Weichsel tot in Polen. Deze kolonisatie heeft op het moerassengebied van Weichsel, Warthe en Netze ‘een uiterst gunstigen invloed gehad.’ En nog in 1936 lezen in dezelfde krant: ‘In Duitschland is onze roem nog niet geheel getaand. Zo heeft Oost-Pruisen heel veel aan Nederland te danken. Zij hebben er ook windmolens ingevoerd. En — o roem van Schiedam — zij schonken aan die streek hun vermaarde likeur-recepten.’ Omgekeerd is er ook goed nieuws te melden:
Op 6 Juli 1518 heeft Ambrosius Vermeulen de nog heden in de gansche wereld vermaarde Danziger Lachs in de handel gebracht. Wij Nederlanders hebben dus wel reden om trots op onze historie te zijn, en óók op onze huidige talenten. Helaas kwam de ontzettende mededeeling dat de Hollandsche haringroem eigenlijk aan de Oost-Pruisen te danken is. In een in 1732 verschenen werk over Oost-Pruisen staat namelijk het volgende te lezen: Ongeveer 400 jaar geleden werd er aan de oevers van de Oostzee nog veel haring gevangen. De visschers uit Oost-Pruisen waren echter overmoedig en op zekere dag ranselden zij een haring af. Daarop trokken de haringen naar de Noordzee en van dit oogenblik af hebben de Nederlanders er van geprofiteerd….” Zoo hebben wij de beroemde Hollandsche haring dus te danken aan de Oost-Pruisen.’

Nog even terug naar Vondels Gijsbregt… Toren, toren, bijna kloosterdak, boom… Slappe hap. Dan Vondel zelf… Geloofsmigrant uit Antwerpen via Keulen naar Amsterdam. Dubbel paspoort-gevalletje wellicht. Gaan we onderzoeken. Misschien kunnen we zijn nagedachtenis op de trein terug richting Rijnland zetten ̶ breng de Keulse zwaan terug naar Keulen. Macht Köln wieder Kölnisch, mooi voor de mensen daar.
Ik lees dit stuk nog eens over, en denk: wacht even, niet te snel over Gijsbrechts karakter geoordeeld. De arme man werd ook maar gestuurd. Waarom deed Vondel dat? Omdat hij ogen en oren nodig had, een waarnemer. Daarom de arme Gijsbrecht steeds maar toren of dak op gezonden en de boom ingejaagd. Een hoofdrolspeler heeft weinig in te brengen, als de drama-auteur hem voorschrijft een vertelpositie in te nemen. En dan nog eens stank voor dank voor zijn door zijn schepper afgedwongen onderdanigheid: hij wordt samen met de rest van zijn gezin het land uitgezet. Ik pleit voor medelij met hem. En met die ene haring die geranseld werd.