Bette Westera heeft de Gouden Griffel gekregen voor Doodgewoon, haar bijzondere poëziebundel over de dood in al z’n verschijningsvormen. Eerder dit jaar kreeg ze er ook al de Woutertje Pieterse Prijs voor.
In Rotterdam, tijdens het Kinderboekenbal, werd nog eens duidelijk hoe deze dichter en kinderboekenschrijfster is gegroeid in de loop der jaren. Twee keer eerder won ze Zilveren Griffels, voor haar dichtbundel  Ik leer je liedjes van verlangen en aan je apenstaartje hangen (2010) en het prentenboek Held op sokken (2013). Dit jaar kreeg haar prentenboek Kietel nooit een krokodil een Vlag & Wimpel.
Bette Westera heeft met Doodgewoon een schitterende, omgekend rijke bundel doodslyriek geschreven, waar verdriet, verwondering, opstandigheid, berusting en woede onder woorden worden gebracht, aldus de Griffeljury. ‘Troostrijk is de bundel ook, niet omdat Westera de dood sussend toedekt met een roze dekentje, maar juist omdat ze de dood in al zijn afschrikkende facetten vormgeeft, woorden vindt voor het gewoonlijk onbeschrijfelijke verdriet en het grote mysterie dat de dood is.’

De dood in de bundel van Bette Westera sluipt, huppelt, danst, schrijdt, stapt stevig door of slentert. ‘Slaap wordt in sommige gedichten als het kleine broertje van de dood voorgesteld, wat natuurlijk in een traditie staat, denk maar aan de klassieke regels van J.C. Bloem: ‘Denkend aan de dood kan ik niet slapen/en niet slapend denk ik aan de dood’.’
‘De lezer van Doodgewoon ontmoet doden in verschillende gedaanten: een ketelbinkie, een moeder, een poes, een hond, een medeleerling, een opa, een te vroeg geboren kind, een oma, een onaangename echtgenoot en een verre voorvader. Ook maakt de lezer kennis met uiteenlopende begrafenisrituelen uit diverse culturen en met verschillende vormen van rouw. Hospice, hemel, heelal en hooggebergte – de lezer wordt ermee geconfronteerd en hoort de tijd op elke bladzijde wegtikken.
Loodzwaar is Doodgewoon allerminst. Westera’s ontregelende humor zorgt ervoor dat de lezer op adem kan komen, wat welkom is, want veel gedichten grijpen je naar de strot. Met name hebben de korte grafschriften dit luchtige effect:

 

Hier ligt Lotje
naast haar botje.
Hier ligt Kuifje
naast zijn kluifje.

Humoristisch is ook het gedicht, met de echo van Annie M.G. Schmidt, over de opluchting die een vrouw ervaart na de crematie van haar tirannieke man, dat eindigt met deze drie regels:

 

Daar staat-ie dan,
haar huistiran,
verstoffend op het notenhouten kastje.

Down to earth en daarmee een glimlach van de lezer ontlokkend is de ontwapenende constatering van een kind wiens opa overleden is:

 

Opa is dood, al een poosje,
dat vind ik natuurlijk niet fijn.
Maar nu heb ik wel zijn horloge,
zijn koptelefoon en zijn trein.

De ritmische gedichten van Westera maken niet alleen grote indruk door de inhoud en de lichte toets, maar ook door de stilistische vaardigheid waarmee ze geschreven zijn. Haar verstechniek is klassiek: herhalingen, enumeraties, binnenrijm, gekruist rijm, alliteratie en een enkel enjambement.  De muziek die uit de bundel opklinkt, is gevarieerd door de gekozen versvormen: een epitaaf, een lamento, een ballade, een elegie, maar bijvoorbeeld ook een smartlap over het zeemansgraf van kleine Klaas.

Bette Westera is alleen al te prijzen om haar durf gedichten voor kinderen bijeen te brengen met de dood als thema. Een enkele keer lijkt zij impliciet te verwijzen naar eerdere doodsgedichten van anderen. Zo lijkt de regel ‘De dood is maar voor even’ een reactie op ‘dood zijn duurt zo lang’ van Willem Wilmink.

De illustraties van Sylvia Weve die in elkaar grijpen zijn wonderschoon. Subtiel is het engeltje op het omslag dat ook in het binnenwerk voorkomt, maar dan zonder vleugels. De boekverzorging is voorbeeldig: zelfs de inhoudsopgave refereert aan het thema van het boek doordat deze als tijdlijn wordt weergegeven.

Deze oogstrelend uitgevoerde bundel met onsterfelijk mooie gedichten over de dood is een bezit voor het leven.’