Hoeveel literatuurlezers zijn er in Nederland? De vraag zal net zo moeilijk te beantwoorden zijn als de eeuwige vraag wat literatuur is, maar ik schat dat het er minder zijn dan we denken.
Laat ik aan de optimistische kant beginnen. Op Verder weg, een bundel met losse teksten en essays van Jonathan Franzen, had uitgeverij een sticker laten plakken. Van de schrijver van Vrijheid, 100.000 exemplaren verkocht.
Honderdduizend literatuurliefhebbers. Franzen als norm, het kan. Honderdduizend, daar tekenen we voor. Maar ik geloof het niet. Zo veel literatuurlezers zijn er niet.
Vandaag stuurde uitgeverij DasMag een email aan hun oprichters met onder andere de mededeling dat er van de nieuwe Maartje Wortel 6000 zijn verkocht. Dat komt al meer in de richting.
De norm voor wat literatuur is, is vervaagd, om marketingredenen. Veel meer boeken moeten en zullen tot de literatuur worden gerekend. Staat chique.
Een van de meest verkochte romans van de laatste decennia is Komt een vrouw bij de dokter. Literatuur? Welnee. Is dat erg? Welnee. Maar het moet en zal tot de literatuur worden gerekend omdat het goed staat en omdat het succesvol is. Een succesvolle roman is tegenwoordig bijna automatisch literatuur. Terwijl het eerder andersom is: een literaire roman is hoogst zelden succesvol. Maar dat willen we niet, want het klinkt zo elitair.
Je kunt over criticus Aad Nuis veel zeggen, bijvoorbeeld dat hij een kwalijke misstap heeft gemaakt met zijn nagekomen, tweede recensie van Kellendonks meesterwerk Mystiek lichaam, maar er is één uitspraak van hem waar ik het hartgrondig mee eens ben: ‘Ik heb niets tegen elites, zo lang de toegang vrij is’. Hoe zwaar literair een roman ook, het boek is te leen bij de bibliotheek en iedereen kan er kennis van nemen.
‘Literair’ als term is in de voorbije jaren enorm aan slijtage onderhevig geweest. Elitair of anderszins voor een klein publiek mocht het niet zijn. De thrillers kregen het predicaat ervoor geplakt, elke roman viel er sowieso onder. Het aloude onderscheid tussen literatuur en lectuur is weggevallen, bij gebrek aan lectuur. De literatuur als koekoeksjong drukte alle concurrenten uit het nest.
Ergens in dit proces is de schrijver gaan multitasken. Uit noodzaak of om contractuele redenen. Een boek schrijven is niet genoeg, het moet naar de lezer worden gebracht en daarbij is aanwezigheid, zichtbaarheid en aaibaarheid van de schrijver allengs belangrijker gemaakt. Ik weet er alles van, heb het zien gebeuren en ik was er een onderdeel van. Liever een interview in de krant met Salman Rushdie, Jeroen Brouwers, Wytske Versteeg, Javier Marías – de lijst is eindeloos – dan welke doorwrochte recensie of analyse ook.
Maar een schrijver zou alleen moeten schrijven. Bij de innerlijke drang begint het. Maar ik laat het graag door Alex Boogers beschrijven:
‘De enige zorg voor de schrijver is om het verhaal op papier te krijgen, zonder omhaal, zonder aarzelingen, en de enige aanleiding om aan die drang toe te geven zou moeten zijn: de wetenschap dat het verhaal de schrijver nodig heeft, als was het een entiteit die de schrijver opeist om vorm te krijgen, en het zal hem tot het uiterste uitputten. (…)
‘Hoe kan zo’n schrijver zich bezighouden met reclame en verkoop en zich zorgen maken over de lens van de camera, het licht in de studio, de grootte van het theater, dat in zoveel gevallen niets meer is dan een veehouderij waarin de vetste varkens worden getoond door de stalmeesters en gekeurd voor de slacht? Waarom zou een schrijver daar deel van willen, of zelfs kunnen uitmaken?’
Een citaat uit het brisante schotschrift van Alex Boogers: De lezer is niet dood. Het is bij wijze van eindejaarsgeschenk gestuurd aan relaties van zijn uitgever, Podium, maar het verschijnt 4 januari ook gewoon in de handel. Het citaat gaat over de schrijver, maar het is in de eerste plaats de lezer voor wie Boogers zich boos maakt. Verdwaalde lezers, ontkende lezers, wanhopige lezers, zoekende lezers, uitstervende lezers, smachtende lezers. Waar vinden ze het verhaal, wie lest hun dorst en waarom hebben docenten, boekhandelaren, media en uitgevers de lezer zo veronachtzaamd?
Niet meer van hetzelfde graag, niet formules uitmelken, niet herhalen. De lezer is niet dood, maar de lezer is ook niet gek. Uitdaging moet er zijn.
En daar is het aan de schrijver. Schrijf de lezer niet naar de mond, maar doe dat wat je moet, wat het innerlijk ingeeft. De lezer zal fake onmiddellijk herkennen. Durf.
In 2013 snelde ik naar de boekwinkel om De filosofie van het alsof te kopen, het hoofdwerk van Hans Vaihinger was eindelijk vertaald. Snel, want er waren maar 511 exemplaren van gedrukt. Uitgeverij IJzer laat steevast 511 exemplaren opleggen. Ze zouden snel op zijn, vreesde ik. In de weken daarna, telkens wanneer de winkel bezocht, lagen er nog steeds exemplaren.
Vorige week kocht ik snel de vijf oude boeken van Witold Gombrowicz die in een eerder leven bij Athenaeum – Polak & Van Gennep werden uitgeven en nu door IJzer eenmalig, gebonden in één band bijeen zijn gebracht. Andermaal in 511 exemplaren. Het zou zo maar eens lang kunnen duren voordat ook van dit boek alle exemplaren weg zijn.
Het is helemaal niet zo erg om te beseffen en te erkennen dat er voor grote literatuur slechts een klein publiek is. En dat het geen zin heeft het begrip zo ver op te rekken dat het lijkt of iedereen literatuur leest.